De éénentwintigste eeuw begint. Wat zal die de mensheid brengen? In aflevering 100 van onze Internationale Revue (Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave), nadat de bourgeoisie van het jaar 2000 plechtig had gevierd, schreven we: “Zo eindigt de twintigste eeuw, de meest tragische en barbaarse uit de geschiedenis van de mensheid: in ontbinding van de maatschappij. De bourgeoisie heeft het jaar 2000 uitbundig gevierd maar het is onwaarschijnlijk dat ze in 2100 hetzelfde doet. Want ofwel zal haar heerschappij omvergeworpen zijn door het proletariaat, ofwel zal de mensheid verwoest zijn of teruggebracht tot het Stenen Tijdperk”. Zo werd duidelijk gezegd wat er op het spel staat: de uitkomst van de ontwikkeling van de éénentwintigste eeuw hangt volledig af van het proletariaat. Ofwel zal het in staat zijn de revolutie te volbrengen, ofwel zal iedere vorm van beschaving, misschien zelfs de mensheid, verwoest worden. Ondanks alle mooie humanitaire redevoeringen en euforische verklaringen waarmee we tegenwoordig worden overspoeld zal de heersende klasse niets doen om een dergelijke uitkomst te voorkomen. Niet omdat zij of haar regeringen dat niet willen. Het zijn de onoverkomelijke tegenstellingen van haar systeem, het kapitalisme, die de maatschappij onvermijdelijk naar haar ondergang voeren. Sinds een decennium worden we dagelijks om de oren geslagen met campagnes over de ‘dood van het kommunisme’, of zelfs van de arbeidersklasse. Het is daarom noodzakelijk om luid en duidelijk te herhalen dat ondanks alle moeilijkheden die het proletariaat tegenkomt er geen andere kracht bestaat die in staat is om de tegenstellingen op te lossen waardoor de maatschappij wordt geteisterd. Omdat de arbeidersklasse er tot nu toe niet in slaagde om haar historische taak, de omverwerping van het kapitalisme, te volbrengen, zonk de twintigste eeuw weg in barbarij. Ze zal de krachten om haar verantwoordelijkheid in deze eeuw op te nemen alleen kunnen verzamelen als ze in staat is om te begrijpen waarom ze haar afspraken met de geschiedenis in de voorbije eeuw is misgelopen. Aan dat begrip probeert dit artikel een bescheiden bijdrage te leveren.
Voordat we gaan onderzoeken waarom het proletariaat niet in staat was om haar historische taak in de twintigste eeuw te volbrengen moeten we eerst terugkomen op een kwestie waarover de revolutionairen zelf niet altijd erg helder zijn geweest.
Dit is een fundamentele vraag, want het vermogen van de arbeidersklasse om ten volle haar verantwoordelijkheid op te nemen hangt voor een deel van het antwoord op die vraag af. Verklaarde een groot revolutionair als Amadeo Bordiga (1) bijvoorbeeld niet: “De socialistische revolutie is een vaststaand feit net alsof zij al heeft plaatsgevonden”? En hij stond niet alleen in de verkondiging van dat idee. Het is ook te vinden in sommige geschriften van Marx, Engels en andere marxisten die na hen kwamen.
Zo kunnen we een uitspraak vinden in het Kommunistisch Manifest die een ingang biedt voor het idee dat een proletarische overwinning niet onvermijdelijk is: “onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte, dan weer openlijke strijd, een strijd die telkenmale eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met een gemeenschappelijke ondergang der strijdende klassen” (2). Toch werd deze vaststelling alleen van toepassing verklaard op de klassen uit het verleden. Voor de uitkomst van de confrontatie tussen bourgeoisie en proletariaat bestond er geen twijfel: “De vooruitgang van de industrie, welker willoze en weerloze draagster de bourgeoisie is, stelt in de plaats van het isolement van de arbeiders, veroorzaakt door de concurrentie, hun revolutionaire vereniging door middel van de associatie. Met de ontwikkeling van de grootindustrie wordt dus aan de bourgeoisie de grondslag zelf waarop zij produceert en zich de producten toe-eigent, onder de voeten weggetrokken. Zij produceert vóór alles haar eigen doodgraver. Haar ondergang en de overwinning van het proletariaat zijn even onvermijdelijk.” (3).
In werkelijkheid heeft er, in de terminologie die door de revolutionairen werd gebruikt, vaak verwarring bestaan tussen het feit dat de kommunistische revolutie absoluut noodzakelijk, onontbeerlijk was voor de redding van de mensheid, en haar onvermijdelijkheid.
Zoals het marxisme dat vanaf het begin heeft gedaan, is het natuurlijk belangrijker om aan te tonen:
Maar heel de twintigste eeuw getuigt ervan hoe zwaar deze taak is. Dat stelt ons in de gelegenheid om beter te begrijpen dat voor de kommunistische revolutie absolute noodzaak nog geen zekerheid betekent, dat het niet vooraf een uitgemaakte zaak is dat de proletarische overwinning staat ingeschreven in het grote boek van de geschiedenis. Afgezien van het barbarendom waarin de twintigste eeuw was ondergedompeld maakte de dreiging van een atoomoorlog, die veertig jaar lang boven de planeet hing, duidelijk dat het kapitalisme de maatschappij wel degelijk had kunnen vernietigen. Die dreiging is met de verdwijning van de grote imperialistische blokken voor het moment afgewend, maar de wapens die een einde kunnen maken aan de menselijke soort bestaan nog altijd, net zo goed als de tegenstellingen tussen de staten die op zekere dag kunnen leiden tot het gebruik van die wapens.
Aan het einde van de negentiende eeuw kwam Engels, met Marx de schrijver van het Kommunistisch Manifest, trouwens terug op het idee van de onvermijdelijkheid van de revolutie en de overwinning van het proletariaat. Momenteel is het belangrijk voor de revolutionairen om duidelijk tegen hun klasse te zeggen, en daarvoor is het nodig dat ze er werkelijk van overtuigd zijn, dat er niet zoiets bestaat als voorbeschikking, dat de overwinning niet vooraf vaststaat, en dat wat er op het spel staat in de proletarische strijd niets meer of minder is dan het overleven van de hele mensheid. Alleen als ze zich bewust is van hoeveel er op het spel staat kan de arbeidersklasse ook de wilskracht opbrengen om het kapitalisme omver te werpen. Marx zei dat de wilskracht een uitdrukking is van de noodzakelijkheid. De wilskracht van het proletariaat om de kommunistische revolutie teweeg te brengen zal steeds groter worden naarmate de noodzakelijkheid van een dergelijke revolutie in zijn ogen dringender wordt.
“Burgerlijke revoluties, zoals die van de achttiende eeuw, stormen snel van succes naar succes, hun dramatische effecten wedijveren met elkaar, mensen en dingen schijnen in schitterende briljanten gevat, extase is de dagelijkse stemming; maar zij hebben een kort bestaan, spoedig hebben zij hun hoogtepunt bereikt en de maatschappij wordt door een langdurige katterigheid aangegrepen, voordat zij leert zich de resultaten van haar ‘storm- en drangperiode’ nuchter eigen te maken. Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt, en de omstandigheden zelf roepen: ‘Hic Rhodus, hic salta! Hier is Rhodus, dans hier!” (4).
Dit bekende citaat uit de 18e Brumaire van Louis Bonaparte, geschreven door Marx in het begin van 1852 (met andere woorden, enkele weken na de staatsgreep van 2 december 1851) was erop gericht zich rekenschap af te leggen van het moeizame en pijnlijke verloop van de proletarische revolutie. Bijna zeventig jaar later ontwikkelde Rosa Luxemburg in een artikel geschreven aan de vooravond van de dag waarop ze werd vermoord en die volgde op het neerslaan van de Berlijnse opstand in januari 1919, een soortgelijk idee: “Uit deze tegenstelling tussen de toespitsing van de taak en de ontbrekende voorwaarden tot haar oplossing in een beginstadium van een revolutionaire ontwikkeling volgt dat de afzonderlijke gevechten van de revolutie formeel op een nederlaag uitlopen. Maar de [proletarische] revolutie is de enige vorm van ‘oorlog’ – ook dit is haar bijzondere bestaanswet – waar de eindoverwinning slechts door een reeks van ‘nederlagen’ kan worden voorbereid! [...] De hele ontwikkeling van het socialisme is – voorzover het om de revolutionaire strijd gaat – enkel met nederlagen geplaveid. En toch voert deze zelfde geschiedenis stap voor stap onstuitbaar naar de uiteindelijke zege! [...] Uiteraard onder één voorwaarde! De vraag rijst onder welke omstandigheden de gegeven nederlagen werden opgelopen [...].” (5).
Deze citaten gaan met name over het pijnlijke verloop van de kommunistische revolutie, de reeks van nederlagen waarmee haar pad geplaveid is voordat de uiteindelijke overwinning wordt behaald. Maar ze stellen ons in de gelegenheid om twee wezenlijke ideeën te belichten:
Het grote verschil tussen proletarische en burgerlijke revoluties maakt duidelijk waarom de overwinning van de arbeidersklasse niet als onvermijdelijkheid kan worden beschouwd.
Een bijzonderheid van de burgerlijke revoluties, anders gezegd de greep naar de politieke alleenheerschappij door de kapitalistenklasse, vormt niet het startpunt maar het eindpunt van een heel proces van economische omvorming binnen de maatschappij. De economische omvorming tijdens welke de oude, feodale productieverhoudingen in toenemende mate worden vervangen door kapitalistische verhoudingen dienen als basis voor de verovering van de politieke macht door de bourgeoisie:
“Uit de lijfeigenen der Middeleeuwen zijn de poorters van de eerste steden voortgekomen; uit deze poorters ontwikkelden zich de eerste elementen van de bourgeoisie.
De ontdekking van Amerika en het ronden van Afrika schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en de waren in het algemeen gaven aan de handel, de scheepvaart, de industrie een ongekende vlucht en daarmede aan het revolutionaire element in de in verval verkerende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling.
De tot dan toe bestaande feodale of op het gildenwezen gebaseerde bedrijfsvoering van de industrie was niet meer toereikend voor de met nieuwe markten groeiende behoefte. De manufactuur trad in haar plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industriële middenstand; de arbeidsdeling tussen de verschillende corporaties maakte plaats voor de arbeidsdeling in de afzonderlijke werkplaats zelf.
Maar voortdurend groeiden de markten, voortdurend steeg de behoefte. Ook de manufactuur was niet meer toereikend. Toen revolutioneerden de stoom en de machinerie de industriële productie, de plaats van de manufactuur werd door de moderne grootindustrie, de plaats van de industriële middenstand door de industriële miljonairs, de aanvoerders van gehele industriële legers, de moderne bourgeoisie ingenomen. [...]
We zien dus hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een lange ontwikkelingsgang, van een reeks van omwentelingen in de wijzen van voortbrenging en verkeer.
Ieder van deze trappen van de ontwikkeling van de bourgeoisie ging vergezeld van een dienovereenkomstige politieke vooruitgang van de klasse. Onderdrukte stand onder de heerschappij van de feodale heren, gewapende en zichzelf besturende associaties in de middeleeuwse commune, hier onafhankelijke stedelijke republiek (zoals in Italië en Duitsland), daar derde belastingplichtige stand der monarchie (zoals in Frankrijk), dan, ten tijde van de manufactuur, tegenwicht tegen de adel in de op standen berustende of absolute monarchie en voornaamste fundament der grote monarchieën in het algemene, bevocht zij tenslotte voor zichzelf, sedert het grondvesten van de grootindustrie en de wereldmarkt, in de moderne parlementaire staat de ongedeelde politieke heerschappij.” (6).
Heel anders verloopt het proces van de proletarische revolutie. Terwijl de kapitalistische productieverhoudingen steeds meer tot ontwikkeling kwamen binnen de feodale maatschappij kunnen de kommunistische productieverhoudingen niet tot ontwikkeling komen binnen de kapitalistische maatschappij die beheerst wordt door de warenverhoudingen en geregeerd door de bourgeoisie. Het idee van een geleidelijke ontwikkeling van ‘eilanden van kommunisme’ behoort tot het utopisch socialisme, waartegen het marxisme en de arbeidersbeweging sinds het midden van de negentiende eeuw strijd leverden. Hetzelfde geldt voor een andere variant van dit idee: dat van productie- en consumenten-coöperaties die nooit ontsnapt zijn en ook nooit kunnen ontsnappen aan de wetten van het kapitalisme, en die de arbeiders hoogstens veranderen in kleine kapitalisten, als het er al niet toe leidt dat ze hun eigen uitbuiters worden. In werkelijkheid, omdat ze een uitgebuite klasse is binnen de kapitalistische productiewijze en per definitie beroofd van alle productiemiddelen, beschikt de arbeidersklasse over geen enkele economische basis en kan ze daarover binnen het kapitalisme ook niet beschikken voor de verovering van de politieke macht. Integendeel, de eerste daad van de kommunistische omvorming van de maatschappij bestaat uit de wereldwijde greep naar de politieke macht door het gehele proletariaat, georganiseerd in arbeidersraden, met andere woorden een opzettelijke en bewuste handeling. Deze machtspositie, de dictatuur van het proletariaat, is het startpunt voor de arbeidersklasse om de economische verhoudingen bewust steeds meer om te vormen, de gehele productie te socialiseren, de warenruil en vooral de belangrijkste waar, de loonarbeid, af te schaffen en daarmee een maatschappij zonder klassen te scheppen.
De burgerlijke revolutie, de greep naar de politieke alleenheerschappij door de kapitalistenklasse, was in die zin onvermijdelijk dat ze voortvloeide uit een economisch proces dat op een bepaald moment in de ontwikkeling van de feodale maatschappij zelf onvermijdelijk was, een proces waarop de bewust menselijke politieke wil weinig invloed had. Afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in ieder land vond ze vroeger of later plaats, en nam ze verschillende vormen aan: de gewelddadige omverwerping van de monarchistische staat zoals in Frankrijk, of de geleidelijke verovering door de bourgeoisie van politieke functies binnen de staat, zoals dat meer het geval was in Duitsland. Het kon uitlopen op een republiek, zoals in de Verenigde Staten, of op een constitutionele monarchie, de eerste burgerlijke staat, waarvan Groot-Brittannië het typische voorbeeld was. Maar in al deze gevallen was de eventuele politieke overwinning van de bourgeoisie verzekerd. En zelfs toen de revolutionaire politieke krachten van de bourgeoisie een terugslag te verwerken kregen (zoals bijvoorbeeld in Frankrijk met de Restauratie, of in Duitsland met de nederlaag van de revolutie van 1848), had dit toch maar weinig gevolg voor de voortgang van deze klasse, economisch en zelfs politiek.
Natuurlijk, de allereerste voorwaarde voor het succes van de proletarische revolutie is het bestaan van de materiële voorwaarden voor de kommunistische omvorming van de maatschappij – voorwaarden die geschapen worden door de ontwikkeling van het kapitalisme zelf.
De tweede voorwaarde voor de proletarische revolutie is de ontwikkeling van een open crisis van de burgerlijke maatschappij, waardoor duidelijk wordt aangetoond dat de kapitalistische productieverhou-dingen moeten worden vervangen door andere (7).
Maar als aan deze materiële voorwaarden is voldaan betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat het proletariaat in staat is de revolutie door te voeren. Omdat het geen economische basis heeft binnen het kapitalisme is zijn enige kracht, behalve zijn aantal en zijn organisatie, het vermogen om zich helder bewust te worden van zijn aard, van zijn strijddoelen en strijdmiddelen. Juist dat is de betekenis van de hierboven aangehaalde woorden van Rosa Luxemburg. En dit vermogen van het proletariaat om zich rekenschap af te leggen komt niet automatisch voort uit de materiële voorwaarden waarmee het wordt geconfronteerd, net zomin als er nergens geschreven staat dat het dit bewustzijn onvermijdelijk zal verwerven voordat het kapitalisme de maatschappij in barbarij en vernietiging stort.
Een van de middelen om die uitkomst te voorkomen, zowel voor zichzelf als voor de maatschappij, bestaat nu juist uit het trekken van lering uit zijn nederlagen, zoals Rosa Luxemburg ons in de herinnering riep. En vooral moet het begrijpen waarom het in de twintigste eeuw niet in staat was de revolutie tot een goed einde te brengen.
Het is kenmerkend voor revolutionairen dat ze op een gegeven moment het potentieel van het proletariaat kunnen overschatten. Marx en Engels ontsnapten niet aan deze tendens toen ze in het begin van 1848 het Kommunistisch Manifest schreven. Ze dachten dat de proletarische revolutie op handen was en dat de burgerlijke revolutie, die in Duitsland opdoemde en enkele maanden later inderdaad plaatsvond, een opstapje zou vormen voor het proletariaat om er de macht te grijpen. Deze tendens is heel goed te verklaren uit het feit dat de revolutionairen – per definitie – met heel hun hart naar de omverwerping van het kapitalisme en de bevrijding van hun klasse streven, iets dat vaak een zeker ongeduld bij hen teweegbrengt. Maar in tegenstelling tot de kleinburgerlijke elementen of diegenen die worden beïnvloed door de ideologie van de kleinburgerij, zijn zij in staat om snel de onrijpheid van de voorwaarden voor de revolutie in te zien. Politiek gezien is de kleinburgerij bij uitstek de klasse die van de ene dag in de andere leeft omdat het geen enkele historische rol heeft te vervullen. Kortzichtigheid en ongeduld (‘revolutie nu’, zoals de rebellerende studenten van de jaren 1960 eisten) zijn kenmerkend voor de maatschappelijke categorie, waarvan enkelen zich tijdens een proletarische revolutie bij de strijd van de arbeidersklasse kunnen aansluiten, maar die zodra de wind draait de sterkste kant kiezen, dat wil zeggen die van de bourgeoisie. Daarentegen zijn proletarische revolutionairen, als uitdrukking van een historische klasse, in staat om hun ongeduld te overwinnen en zichzelf in te zetten voor de geduldige en moeilijke taak: de voorbereiding van de toekomstige strijd van de klasse.
Daarom erkenden Marx en Engels in 1852 dat de voorwaarden voor de revolutie in 1848 nog niet rijp waren, en dat het kapitalisme nog een lange ontwikkelingsperiode voor de boeg had voordat het zover was. Zij achten het nodig om hun organisatie, de Bond van Kommunisten, opgericht aan de vooravond van de revolutie van 1848, op te heffen voordat die onder invloed zou komen van ongeduldige en avonturistische elementen (de Willich-Schaper tendens).
Toen ze in 1864 deelnamen aan de oprichting van de Internationale Werklieden Vereniging (IWV) dachten Marx en Engels opnieuw dat het uur van de revolutie had geslagen; maar al vóór de Parijse Commune in 1871 zagen ze in dat het proletariaat nog niet klaar stond omdat het kapitalisme op economisch vlak nog aanzienlijke ontwikkelingsmogelijkheden had. Na het neerslaan van de Commune, wat een ernstige nederlaag betekende voor het hele Europese proletariaat, begrepen ze dat de historische rol van de IWV was uitgespeeld, en ook dat het nodig was om haar te behoeden voor ongeduldige en avonturistische elementen zoals vooral vertegenwoordigd door de anarchisten, en zelfs voor avonturiers als Bakoenin. Dit is de reden dat ze ingrepen op het Haagse Congres van 1872 (overigens het enige congres waar deze twee revolutionairen allebei aanwezig waren), om de uitsluiting van Bakoenin en zijn Alliantie van de Socialistische Democratie te bewerkstelligen, en zij deden ook het voorstel en verdedigden de beslissing om de Algemene Raad van de IWV van Londen over te brengen naar New York, ver weg van de intriges, die door een hele reeks elementen in gang waren gezet de Internationale in handen te krijgen. Feitelijk kwam deze beslissing neer op het laten inslapen van de IWV, die uiteindelijk werd opgeheven op de conferentie van Philadelphia in 1876.
Tot dan waren beide revoluties, 1848 en de Commune, mislukt omdat de materiele voorwaarden voor de overwinning van het proletariaat ontbraken. Ze kwamen pas tot ontwikkeling in de volgende periode toen het kapitalisme de machtigste ontwikkeling uit zijn geschiedenis doormaakte.
Deze periode kwam overeen met een krachtige ontwikkelingsfase van de arbeidersbeweging. Er werden toen in de meeste landen vakbonden gesticht en socialistische massa-partijen opgericht die zich in 1889 verenigden in de Tweede (socialistische) Internationale.
In de meeste West-Europese landen verwierf de georganiseerde arbeidersbeweging een eigen plaats. Hoewel een aantal regeringen de socialistische partijen aanvankelijk vervolgden (zoals in Duitsland tussen 1878 en 1890, onder de ‘socialistenwetten’), werd deze politiek langzamerhand vervangen door een meer tolerante houding. De socialistische partijen werden een werkelijke macht in de maatschappij, tot op het punt dat ze in sommige landen de machtigste groep in het parlement werden en de indruk wekten dat ze daar binnen korte tijd een absolute meerderheid zouden veroveren. De arbeidersbeweging scheen onoverwinnelijk. Voor velen was het moment aangebroken waarop het kapitalisme omver kon worden geworpen met gebruikmaking van het specifiek burgerlijke instituut van de parlementaire democratie.
Gelijktijdig met de groeiende kracht van de arbeidersorganisaties kende het kapitalisme een periode van ongekende welvaart, waarmee de indruk werd gewekt dat het voortaan in staat was de cyclische crises te overwinnen waardoor het in de voorgaande periode zozeer was geplaagd. Binnen de socialistische partijen ontwikkelden zich reformistische tendensen die dachten dat het kapitalisme zijn economische tegenstellingen had overwinnen en dat de omverwerping ervan door een revolutie bijgevolg een illusie was. Er verschenen theorieën zoals die van Bernstein, volgens welke het marxisme moest worden ‘herzien’, met name door de ‘catastrofistische’ opvatting van de geschiedenis op te geven. De overwinning van het proletariaat zou het resultaat zijn van een hele reeks van veroveringen op parlementair en vakbondsterrein.
In werkelijkheid werden deze twee tegengestelde krachten, kapitalisme en arbeidersbeweging, waarvan de macht zich hand in hand leken te ontwikkelen, allebei van binnenuit ondermijnd.
Het kapitalisme van zijn kant beleefde zijn laatste glorierijke uren (die in het collectieve geheugen werden gegrift als la belle époque). Hoewel de welvaart op het economisch vlak onaangetast leek, vooral in opkomende machten zoals Duitsland en de Verenigde Staten, was de nadering van zijn historische crisis al voelbaar in de opkomst van imperialisme en militarisme. Zoals Marx vijftig jaar eerder al duidelijk had gemaakt hadden de koloniale markten een fundamentele rol gespeeld in de ontwikkeling van het kapitalisme. Alle ontwikkelde kapitalistische landen, zelfs kleine landen als Nederland en België, hadden een koloniaal rijk verworven als bron van grondstoffen en als afzetgebied voor hun goederenproductie. Maar tegen het eind van de negentiende eeuw was heel de niet-kapitalistische wereld opgedeeld onder de oude burgerlijke naties. Voortaan zou de toegang tot nieuwe afzetmarkten en nieuwe gebieden een conflict met rivalen betekenen. De eerste confrontatie vond plaats tussen Groot-Brittannië en Frankrijk, in september 1898 in Fashoda, waar de twee oudste koloniale machten bijna slaags raakten toen de doeleinden van de eerste (controle over de Boven-Nijl en kolonisatie op een oost-west-as tussen Dakar en Djibouti) de ambities van de laatste blokkeerden (zijn rijk op een noord-zuid-as aaneen te laten sluiten van Cairo tot Kaapstad). Uiteindelijk gaf Frankrijk toe en de twee rivalen vormden de Entente Cordiale tegen een derde bandiet, waarvan de ambities net zo groot waren als zijn koloniale imperium klein was: Duitsland. Het Duitse imperialistische tartte de koloniale bezittingen van de andere Europese machten, en dit zou enkele jaren later gestalte krijgen, met name in het Agadir-incident van 1911 toen een Duits fregat de Franse ambities in Marokko tartte. Het andere aspect van de Duitse koloniale eetlust werd gevormd door de formidabele ontwikkeling van zijn marine, die probeerde de concurrentie met de Britten aan te gaan rond de controle over de zeewegen.
Het andere gegeven in de fundamentele verandering die binnen het kapitalisme rond de eeuwwisseling plaatsvond is het volgende: tegelijkertijd met de vermenigvuldiging van de militaire spanningen en gewapende conflicten, met de heimelijke betrokkenheid van Europese burgerlijke machten, was er enerzijds een aanzienlijke toename van de bewapening van deze machten en werden er anderzijds maatregelen genomen om het aantal militairen op te voeren (zoals met de verlenging van de militaire dienstplicht in Frankrijk: de ‘wet van drie jaar’).
Deze toename van militarisme en imperialistische spanningen, net zoals de grote diplomatieke manoeuvres tussen de belangrijkste Europese naties om hun bondgenootschappen in de oorlogsvoorbereiding te versterken, trokken natuurlijk de aandacht van de partijen van de Tweede Internationale. Deze wijdde tijdens haar Congres van Stuttgart in 1907 een belangrijke resolutie aan de kwestie, waarin een amendement was opgenomen dat met name door Lenin en Rosa Luxemburg was ingediend en waarin wordt gesteld: “Breekt de oorlog toch uit, dan hebben de socialisten de plicht te werken aan de zo snel mogelijke beëindiging ervan, daarbij alleszins gebruikmakend van de economische en politieke crisis die door de oorlog wordt veroorzaakt om het volk wakker te schudden en zo de ondergang van de kapitalistische heerschappij te bespoedigen” (8).
In november 1912 riep de Socialistische Internationale zelfs een buitengewone conferentie (het Congres van Basel) bijeen om de oorlogsdreiging aan de kaak te stellen en het proletariaat op te roepen zich daartegen te mobiliseren. Het manifest van dit congres waarschuwde de bourgeoisie: “De burgerlijke regeringen moeten niet vergeten dat de Frans-Duitse oorlog leidde tot de revolutionaire opstand van de Commune en dat de Russisch-Japanse de revolutionaire krachten in Rusland in beweging bracht. In de ogen van de proletariërs is het crimineel elkaar dood te schieten voor de winst van kapitalisten, of de trots van dynastieën, of de samenzweringen door geheime verdragen”.
Schijnbaar stond de arbeidersbeweging dus klaar om de confrontatie met het kapitalisme aan te gaan als het de oorlogsbarbarij zou ontketenen. Op dat moment bestond er onder de Europese bevolking, en niet alleen in de arbeidersklasse, een wijdverbreid gevoel dat de Socialistische Internationale de enige kracht in de maatschappij was in staat om het uitbreken van de oorlog te voorkomen. Maar net als het kapitalistische systeem van binnenuit was ondermijnd en op het punt stond om de omvang van zijn historische bankroet bloot te leggen, zo was ook de arbeidersbeweging zelf, ondanks de schijnbare kracht van haar machtige vakbonden en het ‘groeiende electorale succes’ van haar partijen, ernstig verzwakt en stond ze op de rand van een catastrofale ineenstorting. Erger nog, deze schijnbare kracht van de arbeidersbeweging vormde juist haar grootste zwakte. De verkiezingsoverwinningen van de socialistische partijen hadden een ongekende stoot gegeven aan democratische en reformistische illusies onder de massa van de arbeiders. Evenzo was de macht van de vakbondsorganisaties, vooral in Duitsland en Groot-Brittannië, in werkelijkheid omgevormd in een instrument ter verdediging van de burgerlijke orde en om de arbeiders te ronselen voor oorlog en wapenproductie (9).
Aan het begin van de zomer van 1914, na de moord op de Oostenrijkse troonopvolger in Sarajevo, groeiden de spanningen in Europa en nam het spookbeeld van de oorlog snel grotere vormen aan. De arbeiderspartijen demonstreerden toen niet alleen hun onmacht maar voor het grootste deel verleenden ze ook steun aan hun eigen nationale bourgeoisie. In Frankrijk en Duitsland bestonden er zelfs directe contacten tussen de socialistische leiders en de regering om te overleggen hoe de arbeiders in de oorlog te betrekken. En zodra de oorlog uitbrak gaven deze partijen eenstemmig hun volledige steun aan de oorlogsinspanningen van de bourgeoisie en slaagden ze erin om de arbeidersmassa’s mee de slepen in de slachtpartij. Terwijl de zittende regeringen de ‘grootsheid’ van hun achtereenvolgende naties bezongen, gebruikten de socialistische partijen argumenten die beter waren toegesneden op hun rol om de arbeiders onder controle te houden. In Frankrijk zeiden ze dat dit geen oorlog was in dienst van burgerlijke belangen, of om Elzas-Lotharingen te heroveren, maar een oorlog om de ‘beschaving’ te beschermen tegen het ‘Duitse militarisme’. Aan de overzijde van de Rijn was het geen oorlog in dienst van het Duitse imperialisme, maar voor ‘democratie en beschaving’, tegen ‘de tirannie van de Tsaristische knoet’. Maar hoewel de woorden verschilden, streefden de socialistische leiders hetzelfde doel na als de bourgeoisie: ‘Nationale eenheid’ om de arbeiders de slachtpartijen in te jagen en ter rechtvaardiging van de staat van beleg, met andere woorden: militaire censuur, verbod op arbeidersstakingen en demonstraties, en van publicaties en bijeenkomsten om de oorlog aan de kaak te stellen.
Het proletariaat bleek het uitbreken van de oorlog dus niet te kunnen voorkomen. Het was een verschrikkelijke nederlaag, maar één die het leed zonder dat het openlijk de strijd met de bourgeoisie was aangegaan. En toch, de strijd tegen de ontaarding van de socialistische partijen, een ontaarding die geleid had tot hun verraad in augustus 1914 en tot het imperialistische bloedbad dat er op volgde, was ruimschoots daarvoor begonnen, rond de eeuwwisseling. Zo had Rosa Luxemburg in de Duitse partij strijd geleverd tegen de revisionistische theorieën van Bernstein die dienden ter rechtvaardiging van het reformisme. Officieel had de partij deze theorieën verworpen, maar een paar jaar later moest ze de strijd opnieuw opnemen, en deze keer niet alleen tegen de rechterzijde maar ook tegen het centrum, hoofdzakelijk vertegenwoordigd door Kautsky, die met radicale taal het opgeven van het revolutionaire perspectief juist toedekte. In Rusland begonnen de bolsjewieken de strijd tegen het opportunisme binnen de sociaal-democratische partijen in 1903, allereerst rondom organisatorische kwesties, vervolgens rondom de aard van de revolutie van 1905 in Rusland en de politiek die daartegenover had moeten worden gevoerd. Maar deze revolutionaire stromingen binnen de Socialistische Internationale bleven over het algemeen uiterst zwak, ondanks dat de congressen van de socialistische partijen en de Internationale hun standpunten vaak overnamen.
Toen het moment van de waarheid was aangebroken bevonden de socialistische militanten die internationalistische en revolutionaire standpunten verdedigden zich in een tragisch isolement, zozeer zelfs dat toen er in 1915 te Zimmerwald in Zwitserland een internationale conferentie tegen de oorlog werd gehouden de vertegenwoordigers (waarbij inbegrepen de elementen van het centrum, die aarzelden tussen de standpunten van de linker- en rechterzijde), zoals Trotski opmerkte, in vier taxi’s pasten. Dit verschrikkelijke isolement weerhield hen er niet van de strijd voort te zetten, ondanks de repressie die over hen neerdaalde (in Duitsland werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de twee belangrijkste leiders van de internationalistische groep Spartacus opgesloten in de gevangenis en een militaire fort).
De verschrikkelijke beproevingen van de oorlog, de moordpartijen, de honger, de meedogenloze uitbuiting in de fabrieken aan het thuisfront, dat alles begon de arbeiders, die zichzelf in 1914 zo gemakkelijk naar de slachtbank hadden laten leiden, te ontnuchteren. De redevoeringen over ‘democratie’ en ‘beschaving’ begonnen vals te klinken tegen de achtergrond van de vreselijke barbarij waarin Europa werd ondergedompeld en van de onderdrukking van iedere poging tot arbeidersstrijd. Zo kwam het Russische proletariaat, met de opgedane revolutionaire ervaring van 1905, in februari 1917 in opstand tegen de oorlog en honger. Het zette de resoluties van de Congressen van Basel en Stuttgart van Socialistische Internationale in daden om. Lenin en de Bolsjewieken begrepen dat het uur van de revolutie had geslagen en zij riepen de arbeiders op om geen genoegen te nemen met de val van het Tsarisme en de instelling van een ‘democratische’ regering. Ze moesten zich voorbereiden op de omverwerping van de bourgeoisie en de greep naar de macht door de Sovjets (de arbeidersraden) als voorspel van de wereldrevolutie. Dit is het vooruitzicht dat in 1917 werkelijkheid werd in Rusland. De nieuwe macht riep het wereldproletariaat onmiddellijk op zijn voorbeeld te volgen, een eind te maken aan de oorlog en het kapitalisme omver te werpen. We zouden kunnen zeggen dat de bolsjewiki, tezamen met alle revolutionairen in andere landen, het wereldproletariaat opriepen om een nieuwe afspraak met de geschiedenis te maken, na die van 1914 te zijn misgelopen.
In andere landen volgde de arbeidersklasse het Russische voorbeeld, vooral in Duitsland waar een jaar later de opstand van arbeiders en soldaten het keizerlijke regime van Wilhelm II omverwierp en de Duitse bourgeoisie dwong zich uit de oorlog terug te trekken waarmee een eind werd gemaakt aan meer dan vier jaar van barbarij zoals de mensheid nog nooit had gezien. Maar de bourgeoisie had al haar lesje geleerd uit de nederlaag in Rusland waar de Voorlopige Regering die was ingesteld na de revolutie van Februari 1917, niet in staat bleek om te voldoen aan één van de belangrijkste eisen van de arbeiders: vrede. Onder druk van zijn Franse en Britse bondgenoten had de regering Rusland in oorlog gehouden, wat zowel onder de arbeidersmassa’s als onder de troepen leidde tot een snelle ontgoocheling en radicalisering. De omverwerping van de bourgeoisie en niet enkel het Tsarisme leek voor hen de enige weg om een einde te maken aan de slachtpartij. In Duitsland daarentegen haastte de bourgeoisie zich tijdens de eerste dagen van de revolutie om de oorlog te beëindigen. Het stelde de omverwerping van het keizerlijke regime en het uitroepen van de republiek voor als een beslissende overwinning. Het deed onmiddellijk een beroep op de socialistische partij om de touwtjes in handen te nemen en deze ontving de steun van het congres van arbeidersraden dat nog steeds door deze zelfde socialisten gedomineerd werd. Deze nieuwe regering bood onmiddellijk een wapenstilstand aan bij de bondgenoten van de Entente, dat zonder uitstel werd aangenomen. Bovendien deden de machten van de Entente alles om de Duitse regering te helpen de arbeidersklasse het hoofd te bieden. Daarom gaf Frankrijk snel 16.000 machinegeweren, die het als oorlogsbuit had veroverd, terug aan Duitsland, en die vervolgens zeer nuttig bleken te zijn om de arbeidersklasse te verpletteren.
In januari 1919 deelde de Duitse bourgeoisie, met de socialistische partij op kop een verschrikkelijke klap uit aan het proletariaat. Ze organiseerde welbewust een provocatie, die leidde tot een voortijdige opstand van de arbeiders van Berlijn. De revolutie werd in bloed gesmoord en de belangrijkste revolutionaire leiders (Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en Leo Jogisches) werden vermoord. Desalniettemin waren de Duitse arbeiders nog niet definitief verslagen. Hun revolutiepogingen gingen door tot 1923 (10). Hun pogingen werden echter teniet gedaan, net zoals de machtige klassenbewegingen die in andere landen in dezelfde periode plaatsvonden (met name in Hongarije en Italië in 1919) (11).
In feite betekende de nederlaag van het proletariaat in Duitsland de nederlaag van de wereldrevolutie hoewel er nog een laatste opstand plaatsvond in China in 1927, die eveneesn in bloed werd gesmoord.
Toen de revolutionaire golf in Europa tot ontwikkeling kwam werd tegelijk in maart 1919 in Moskou de Kommunistische of de Derde Internationale opgericht, die revolutionairen van over de hele wereld bijeenbracht. Op haar oprichtingscongres bestonden er slechts twee grote kommunistische partijen, één in Rusland en één in Duitsland. De laatste was een paar dagen voor de nederlaag van januari 1919 opgericht. De Internationale bevorderde in alle landen de oprichting van kommunistische partijen die het chauvinisme, het reformisme en het opportunisme, die de socialistische partijen helemaal hadden opgeslokt, verwierpen. De kommunistische partijen waren bedoeld om de leiding te vormen van de wereldrevolutie, maar ze werden door de historische omstandigheden waarin ze tot stand kwamen te laat gevormd. Toen de Internationale werkelijk werd opgericht, met andere woorden op haar Tweede Congres in 1920, was het hoogtepunt van de revolutionaire golf al voorbij en was het kapitalisme in staat gebleken om de situatie, zowel economisch als politiek, in handen te nemen. De heersende klasse was er vooral in geslaagd om de prikkel tot revolutie weg te nemen door een eind te maken aan de belangrijkste voedingsbodem ervan, de imperialistische oorlog. Met de nederlaag van de wereldwijde revolutionaire golf waren de partijen van de Kommunistische Internationale, die gevormd waren tegen de ontaarding en het verraad van de socialistische partijen, op hun beurt ook niet in staat aan ontaarding te ontsnappen.
Er zijn verschillende factoren die aan deze ontaarding ten grondslag liggen. De eerste is het feit dat de kommunistische partijen binnen hun gelederen vele ‘centristische’ elementen opnamen die de socialistische partijen hadden verlaten en een revolutionaire fraseologie hadden aangenomen om te profiteren van het geweldige enthousiasme van het proletariaat voor de Russische revolutie. Een andere, nog belangrijker factor bestond uit de ontaarding van de grootste partij van de Internationale, de partij van de bolsjewieken die de Oktoberrevolutie had geleid en die de belangrijkste voorvechter was geweest voor de totstandkoming van de Internationale. De partij van de bolsjewieken werd in toenemende mate opgeslokt door de staat waarvan ze aan het hoofd stond; vanwege het isolement van de revolutie veranderde ze in toenemende mate tot een verdedigster van Russische belangen, ten koste van haar rol als bastion van de wereldrevolutie. Bovendien, omdat er geen ‘socialisme in één land’ kan bestaan en omdat het kapitalisme alleen op wereldschaal kan worden afgeschaft, werd de Russische staat geleidelijk omgevormd tot een verdediger van het Russische nationale kapitaal, een kapitaal waarvan de bourgeoisie hoofdzakelijk bestond uit de staatsbureaucratie en dus de partij. Van revolutionaire organisatie werd de partij van de bolsjewieken dus stukje bij beetje omgevormd tot een burgerlijke en contrarevolutionaire partij, ondanks verzet van een groot aantal echte kommunisten, zoals Trotsky, die de vlag van de wereldrevolutie hoog probeerde te houden. In 1925 aanvaardde de partij van de bolsjewieken, ondanks Trotsky’s oppositie, een programma van ‘opbouw van het socialisme in één land’, een programma dat gepropageerd werd door Stalin en dat een waar verraad aan het proletarisch internationalisme vertegenwoordigde, en dat hij in 1928 opdrong aan de Kommunistische Internationale, waarmee haar doodvonnis was getekend.
Daarna traden de kommunistische partijen, ondanks de reacties en het verzet van een hele reeks van linkerfracties die de één na de ander werden uitgesloten, in dienst van hun achtereenvolgende nationale kapitalen. Van speerpunten van de wereldrevolutie waren de kommunistische partijen speerpunten van de contrarevolutie geworden: de verschrikkelijkste contrarevolutie uit de geschiedenis.
Niet alleen was de arbeidersklasse haar tweede afspraak met de geschiedenis misgelopen, ze ging ook de gruwelijkste periode tegemoet die ze ooit had meegemaakt. Het was, naar de titel van een boek van Victor Serge, “middernacht in de eeuw”. In Rusland was het kommunistische partijapparaat zowel tot uitbuitende klasse omgevormd als tot middel ter onderdrukking van de massa van arbeiders en boeren dat zijn weerga niet kende. Buiten Rusland speelden de kommunistische partijen hun contrarevolutionaire rol door in de jaren 1930 het ronselen van het proletariaat voor de Tweede Wereldoorlog voor te bereiden, anders gezegd het antwoord van de bourgeoisie op de terugkeer van de open crisis van het kapitalisme sinds 1929.
Deze open crisis en de verschrikkelijke ellende die tijdens de jaren 1930 over de arbeidersmassa’s neerdaalde hadden juist een machtige factor kunnen zijn in de radicalisering van het wereldproletariaat, en in de ontwikkeling van zijn bewustzijn dat het kapitalisme omvergeworpen moest worden. Maar het proletariaat zou deze derde afspraak met de geschiedenis ook mislopen.
De situatie van de arbeidersklasse in Duitsland, de meest geconcentreerde en ervaren in de wereld, in een land dat een sleutelrol speelt in de proletarische revolutie, was vergelijkbaar met die in Rusland. Net zoals in Rusland was de arbeidersklasse in Duitsland de weg van de revolutie ingeslagen, en haar nederlaag was daarom des te verschrikkelijker. De Duitse revolutie werd niet verpletterd door de Nazi’s, maar door de ‘democratische’ partijen, en de socialistische partij voorop. Juist omdat het proletariaat deze nederlaag had geleden, waren de nazi’s, die op dat moment het best beantwoordde aan de economische en politieke behoeften van de bourgeoisie, in staat om het werk van links af te maken. Hun terreur vernietigde de geringste aanzet tot proletarische strijd, en ronselde de arbeiders met voornamelijk dezelfde middelen voor de oorlog.
In de landen van West-Europa echter, daar waar het proletariaat geen revolutiepoging had ondernomen en dus geen fysieke verplettering had ondergaan, was terreur niet de meest geëigende methode om de arbeiders de oorlog in te jagen. De bourgeoisie moest teruggrijpen op misleidingen vergelijkbaar met die waarvan ze zich bediende voor de Eerste Wereldoorlog. De stalinistische partijen speelden hier hun burgerlijke rol op een voorbeeldige wijze. In naam van de verdediging van de ‘democratie’ en het ‘socialistische vaderland’ tegen het fascisme, voerden ze de arbeidersstrijd systematisch inaar impasses waarmee de strijdbaarheid en het moreel van het proletariaat werden uitgeput.
Het moreel was al sterk aangetast door het mislukken van de wereldrevolutie in de loop van de jaren 1920. Na een periode van enthousiasme voor het idee van de kommunistische revolutie hadden veel arbeiders zich afgewend van het revolutionair perspectief. Eén van de redenen voor hun ontmoediging bestond uit de vaststelling dat de maatschappij die in Rusland was geschapen niet het paradijs was zoals de stalinisten beweerden en dat maakte het gemakkelijk voor de socialistische partijen om ze weer in hun schoot te laten terugkeren. Het grootste deel van hen die nog wilden geloven in een revolutionair perspectief raakte verstrikt in de netten van de stalinistische partijen die beweerden dat de overwinning van de revolutie afhankelijk was van de ‘verdediging van het socialistische vaderland’ en van de overwinning op het fascisme in Italië en Duitsland.
Een sleutelmoment in deze ontsporing van het wereldproletariaat werd gevormd door de oorlog in Spanje, die in het geheel geen revolutie was, maar juist deel uitmaakte van de militaire, diplomatieke en politieke voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog.
Over heel de wereld wilden de arbeiders solidariteit betuigen met hun broeders in Spanje die spontaan in opstand waren gekomen tegen de fascistische putsch van 18 juli 1936. Dit werd opgevangen in de ronseling voor de Internationale Brigades (hoofdzakelijk geleid door stalinisten), in de eis van ‘wapens voor Spanje’ (in werkelijkheid voor het burgerlijke Frente Popular, het ‘volksfront’), en in anti-fascistische demonstraties die het juist mogelijk maakten om de arbeiders van de ‘democratische’ landen te ronselen voor de oorlog tegen Duitsland.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was de veronderstelde kracht van het proletariaat (de machtige vakbonden en arbeiderspartijen) zijn grootste zwakheid gebleken. Hetzelfde scenario werd voor de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd, hoewel de acteurs een beetje verschilden. De grote kracht van de ‘arbeiders’-partijen (de stalinistische partijen en socialistische partijen, verenigd in het anti-fascistische bondgenootschap), de grote ‘overwinningen’ op het fascisme in West-Europa, het zogenaamde ‘socialistische vaderland’, het waren allemaal tekenen van de contrarevolutie, van een ongekende zwakheid van het proletariaat. Een zwakheid waardoor het, aan handen en voeten gebonden, zou worden overgeleverd aan het tweede imperialistische bloedbad.
De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog overtroffen ruimschoots die van de Eerste. Het kapitalisme zonk verder weg in zijn verval en in een nieuwe barbarendom. Maar in tegenstelling tot wat er gebeurde in 1917-1918 was het niet het proletariaat dat er een eind aan maakte. De oorlog ging door totdat één van de twee imperialistische kampen het andere verpletterde. Niet dat een proletarisch antwoord tijdens deze wereldwijde slachtpartij volkomen ontbrak. In de loop van 1943 kwam er een brede stakingsbeweging op gang in het industriële noorden van Mussolini’s Italië die de heersende machten van de bourgeoisie dwongen om Mussolini aan de kant te schuiven en in zijn plaats een pro-geallieerde admiraal te benoemen: Badoglio. Eveneens ontstond er in verschillende Duitse steden aan het eind van 1944 en het begin van 1945 oproer tegen honger en de oorlog. Toch was er tijdens de Tweede Wereldoorlog niets dat vergelijkbaar was met de opstanden die plaatsvonden tijdens de Eerste. Om verschillende redenen. Op de eerste plaats omdat de bourgeoisie, wijzer geworden door de ervaring van de Eerste Wereldoorlog, het proletariaat zorgvuldig niet alleen fysiek, maar ook en vooral ideologisch verpletterde voordat ze de Tweede Wereldoorlog ontketende. Dat verschil komt onder andere daarin tot uiting dat terwijl de socialistische partijen de arbeidersklasse bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verraadden, de kommunistiche partijen dit verraad al lang voor het uitbreken van de Tweede hadden gepleegd. Een gevolg daarvan was dat het proletariaat over geen enkele revolutionaire stroming meer beschikte, terwijl tijdens de Eerste Wereldoorlog de meeste militanten die de kommunistische partijen zouden gaan vormen al lid waren van de socialistische partijen. Tijdens de gruwelijke contrarevolutie van de jaren 1930 was er maar een handjevol militanten over dat kommunistische standpunten bleef verdedigen, en het was afgesneden van iedere directe band met een arbeidersklasse die volslagen onderworpen was aan de burgerlijke ideologie.
Het was onmogelijk dat ze nog enig werk verrichtten binnen de partijen die invloed hadden op de arbeidersklasse, zoals de revolutionairen dat tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden kunnen doen. Niet alleen omdat ze uit de partij waren gestoten, maar ook omdat er in deze partijen geen sprankje proletarisch leven meer bestond. Wie bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ferm aan revolutionaire standpunten had vastgehouden, zoals Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, vond steeds meer gehoor voor hun propaganda onder de militanten van de sociaal-democratie naarmate die door de oorlog van hun illusies werden benomen. Binnen de kommunistische partijen was zoiets niet mogelijk: vanaf het begin van de jaren 1930 werden ze volslagen onvruchtbare grond voor de ontwikkeling van enig proletarisch en internationalistisch gedachtegoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de arbeidersklasse geheel en al in de val gelopen van de anti-fascistische ideologie, en de invloed van de kleine revolutionaire groepen die hun internationalistische beginselen bleven verdedigen had nauwelijks enige betekenis.
De andere reden voor de afwezigheid van ook maar de minste proletarische opleving tijdens de Tweede Wereldoorlog was dat de wereldbourgeoisie, na de ervaring van de Eerste Wereldoorlog, systematische voorzorgsmaatregelen nam om iedere opstand in de verslagen landen, waar de bourgeoisie het kwetsbaarst was, te voorkomen. In Italië bracht de bourgeoisie de opstand bijvoorbeeld onder controle door een taakverdeling tussen het Duitse leger, dat onmiddellijk het noorden van Italië bezette en er de macht van Mussolini herstelde, en de geallieerden in het zuiden aan land waren gekomen. In het noorden herstelde de Duitse legers de orde met zoveel wreedheid dat de arbeiders die tijdens de bewegingen aan het begin van 1943 het meest op de voorgrond waren gekomen gedwongen onder te duiken, waardoor ze, afgesneden van hun klassenbasis, gemakkelijke prooien werden van de anti-fascistische ideologie en die van de ‘nationale bevrijding’. Tegelijkertijd onderbraken de geallieerden hun opmars naar het noorden om Italië ‘in zijn sop te laten gaarkoken’ (naar de woorden van Churchill), teneinde het vuile werk van de onderdrukking van de arbeiders over te laten aan het ‘kwaadaardige’ Duitsland, en de democratische krachten, en dan vooral de stalinistische partij, in de gelegenheid te stellen een ideologische greep op de arbeidersklasse te verkrijgen.
Deze tactiek werd ook toegepast in Polen, waar Stalin, toen de opstand in Warschau uitbrak, het Rode Leger een paar kilometer buiten Warschau pas op de plaats liet maken. Het Duitse leger smoorde de opstand in bloed en maakte de stad met de grond gelijk. Toen het Rode Leger Warschau enkele maanden later binnentrok, werden de arbeiders van deze stad die het nog problemen hadden kunnen veroorzaken, ontwapend en uitgeroeid.
In Duitsland zelf belastten de geallieerden zichzelf met de verplettering van iedere poging tot opstand van de arbeiders door een walgelijke bombardementscampagne op arbeiderswijken uit te voeren (de bombardementen op Dresden, op 13 en 14 februari 1945 veroorzaakten meer dan 250.000 doden, drie keer zoveel als in Hirosjima). Bovendien weigerden de geallieerden in te gaan op het aanbod van wapenstilstand zoals dat werd gedaan door verschillende delen van de Duitse bourgeoisie en door militairen van naam zoals Maarschalk Rommel en Admiraal Canaris, de chef van de geheime dienst. Voor de overwinnaars kon er geen sprake van zijn Duitsland enkel aan de Duitse bourgeoisie over te laten, zelfs niet aan anti-nazi-fracties. De ervaring van 1918, waarbij de regering die het keizerlijke regime afloste de grootste problemen ondervond om de orde te herstellen, stond nog in het geheugen gegrift van de burgerlijke politici. Daarom besloten de overwinnaars de regering van het overwonnen Duitsland direct in handen te nemen en over te gaan tot een militaire bezetting tot de laatste centimeter van het Duitse territorium. Het proletariaat van Duitsland, deze reus die een baken voor het wereldproletariaat was geweest en dat tussen 1918 en 1923 de kapitalistische wereld op zijn grondvesten deed schudden, was nu neergeslagen, verbrijzeld, versnipperd, teruggebracht tot een massa van arme stakkers, die door de puinhopen struinden op zoek naar hun doden en wat familiespullen en die voor hun voedsel en voortbestaan waren overgeleverd aan de welwillendheid van de ‘veroveraars’. In de overwinnende landen waren veel arbeiders toegetreden tot het ‘Verzet’ in de illusie, verspreid door de stalinistische partijen, dat de gewapende strijd tegen het nazisme het voorspel zou vormen tot de omverwerping van de bourgeoisie. De werkelijkheid was heel anders. In de landen die onder de heerschappij van de Sovjet-Unie kwamen werden de arbeiders ertoe aangespoord om de stalinistische regimes te ondersteunen (zoals tijdens de staatsgreep van 1948 in Praag) die zich, toen ze eenmaal aan de macht waren, beijverden om de arbeiders te ontwapenen en de ergste terreur over hen uit te oefenen. In de landen die door de Verenigde Staten werden gedomineerd, zoals Frankrijk en Italië, riepen de meeregerende stalinistische partijen de arbeiders op hun wapens in te leveren omdat de eerste taak niet uit de revolutie bestond maar uit de ‘nationale wederopbouw’.
Europa was veranderd in één reusachtige puinhoop, waar honderden miljoenen proletariërs leefden onder omstandigheden en een uitbuiting die nog veel erger waren dan tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl de honger voortdurend knaagde en het kapitalisme zijn barbarendom meer dan ooit tentoonspreidde. Zo kon de arbeidersklasse niet meer kracht opbrengen om strijd van enige betekenis te leveren tegen de kapitalistische heerschappij. De Eerste Wereldoorlog had miljoenen arbeiders overtuigd van het internationalisme, de Tweede had ze in de diepten geworpen van het meest verwerpelijke chauvinisme, van de jacht op ‘moffen’ en ‘collaborateurs’.
Het proletariaat had het dieptepunt bereikt. Wat het te horen kreeg, en waarvan het dacht dat het zijn grootste ‘overwinning’ was – de overwinning van de democratie over het fascisme – vormt juist zijn gruwelijkste historische nederlaag. Het overwinningsgevoel dat het bekroop, het geloof dat deze ‘overwinning’ zou leiden tot de ‘heilige deugden’ van de burgerlijke democratie, van dezelfde democratie die hem had meegesleurd in twee imperialistische slachtpartijen en die zijn revolutie aan het begin van de jaren 1920 had verpletterd, die euforie vormde de beste waarborg voor de kapitalistische orde. En in de periode van wederopbouw, die van economische ‘hausse’ na de oorlog, stelde de tijdelijke verbetering van zijn levensomstandigheden het ook niet in staat de werkelijke omvang in te schatten van de nederlaag die het had geleden.
Opnieuw was het proletariaat een afspraak met de geschiedenis misgelopen. Maar deze keer niet omdat hij te laat was gekomen of slecht voorbereid: hij was volslagen afwezig van het historisch toneel.
In het tweede deel van dit artikel zullen we zien hoe het proletariaat erin slaagde om op het toneel terug te keren, maar ook hoe lang zijn weg nog is.
Fabienne.
Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 103, vierde kwartaal 2000.
(1) Voor een inleiding tot Bordiga, zie ons artikel: Het debat met de BIPR, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 103.
(2) Het communistisch manifest, Amsterdam, Pegasus, p. 40.
(3) Het communistisch manifest, t.a.p., p. 55. Deze zin uit het manifest dient ook als conclusie in deel1 van Het kapitaal.
(4) De 18e Brumaire van Louis Boneparte, Amsterdam, Pegasus, p. 23. De uitdrukking aan het eind van het citaat is een toespeling op een fabel van Esopus, waarin iemand opschept over een geweldige sprong die hij ooit op het eiland Rhodes maakte en waarbij een toehoorder antwoordde: “Hier is Rhodus, spring hier”.
(5) Orde heerst in Berlijn, in Gesammelte Werke, deel 4, Berlin, Dietz Verlag, 1974, p. 536-537.
(6) Het communistisch manifest, t.a.p., p. 41.
(7) Lenin beschreef op een pakkende manier de voorwaarden voor de revolutie: “Wat zijn in het algemeen gesproken, de kenmerken van een revolutionaire toestand? We vergissen ons zeker niet, wanneer we de volgende drie voornaamste kenmerken geven: 1. Voor de heersende klassen is het onmogelijk hun heerschappij ongewijzigd te handhaven; de een of andere crisis van de ‘bovenste lagen’, een crisis van de politiek van de heersende klasse, die een scheur doet ontstaan waardoor de ontevredenheid en de verbolgenheid van de onderdrukte klasse een uitweg zoekt. Voor het uitbreken van een revolutie is het in de regel niet voldoende dat de ‘onderste lagen’ niet op de oude manier ‘willen leven’, noodzakelijk is bovendien dat de ‘bovenste lagen’ op de oude manier ‘niet kunnen leven’. 2. De nood en ellende van de onderdrukte klassen nemen op buitengewone wijze toe. 3. Ten gevolge van de bovengenoemde oorzaken is er een aanzienlijke toenemende activiteit van de massa’s die zich in ‘vreedzame’ tijden rustig laten uitplunderen, maar in stormachtige tijden zowel door de hele crisistoestand als door de ‘bovenste lagen’ zelf tot een zelfstandig historisch optreden gedreven worden.” (Lenin, Het bankroet van de Tweede Internationale, in Keuze uit zijn werken, deel II, Moskou, Progres, 1973, p. 171).
(8) Passage geciteerd in de Resolutie over het standpunt ten opzichte van socialistische stromingen en de conferentie van Bern van het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale.
(9) Rosa Luxemburg drukte dit idee helder uit toen ze schreef: “In Duitsland hebben gedurende vier decennia op het parlementaire vlak slechts ‘overwinningen’ gekend; we vlogen letterlijk van de ene overwinning naar de andere. En de uitkomst bij de grote historische test op 4 augustus 1914 bestond uit een vernietigende politieke en morele nederlaag, een ongehoorde ineenstorting, een bankroet zonder weerga.” (Orde heerst in Berlijn, in Gesammelte Werke, deel 4, t.a.p., p. 537).
(10) Zie onze artikelenreeks over de Duitse revolutie in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 81-99.
(11) Zie ons artikel Lessen uit de gebeurtenissen van 1917-1923: De eerste revolutionaire golf van het wereldproletariaat, in Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaantalige uitgave, nr. 80, eerste kwartaal 1995.
De nieuwe eeuw zal beslissend zijn voor de geschiedenis van de mensheid. Als de heerschappij van het kapitalisme over de planeet voortduurt zal de maatschappij voor 2100 in een totaal barbarendom gestort zijn, een barbarendom waarnaast die van de twintigste eeuw een lichte hoofdpijn zal lijken, en die haar zal terugvoeren naar het stenen tijdperk of haar volledig zal vernietigen. Daarom zal, als er nog een toekomst bestaat voor de mensheid, deze geheel en al in handen liggen van het wereldproletariaat dat door de revolutie de omverwerping kan bewerkstelligen van de heerschappij van een kapitalistische productiewijze die door zijn historische crisis verantwoordelijk is voor het gehele huidige barbarendom. Om deze taak te vervullen zal het proletariaat in de toekomst in staat moeten zijn om de kracht te vinden waaraan het hem tot nu toe heeft ontbroken.
In het eerste deel van dit artikel hebben we getracht te begrijpen waarom de eerdere revolutionaire pogingen van het proletariaat mislukten, met name de grootste daarvan die in 1917 in Rusland begon. We hebben duidelijk gemaakt dat, door de verschrikkelijke nederlaag die hij als gevolg van deze poging had geleden, hij ook de andere afspraken met de geschiedenis misliep: de grote crisis van het kapitalisme in de loop van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog. Met name als gevolg van de laatste legden we er de nadruk op: “Het proletariaat had het dieptepunt bereikt. Wat het te horen kreeg, en waarvan het dacht dat het zijn grootste ‘overwinning’ was – de overwinning van de democratie over het fascisme – vormt in feite zijn gruwelijkste historische nederlaag. Het overwinningsgevoel dat het bekroop, het geloof dat deze ‘overwinning’ zou leiden tot de ‘heilige deugden’ van de burgerlijke democratie, van dezelfde democratie die hem had meegesleurd in twee imperialistische slachtpartijen en die zijn revolutie aan het begin van de jaren 1920 had verpletterd, die euforie vormde de beste waarborg voor de kapitalistische orde.”
In Europa, het belangrijkste slagveld van zowel revolutie als wereldoorlog, had de geallieerde overwinning de arbeidersstrijd enkele jaren verlamd. Terwijl de maag van de arbeiders leeg was hadden zij hun hoofd vol van euforie over de ‘overwinning’. Bovendien vormde de staatskapitalistische politiek, die alle Europese regeringen voerden, een extra instrument om de arbeidersklasse te misleiden. Deze politiek beantwoordde fundamenteel aan de behoeften van het Europese kapitalisme, waarvan de economie verwoest was door de oorlog. De nationalisaties, evenals een bepaald aantal ‘sociale’ maatregelen (zoals het meer in staatshanden brengen van de gezondheidszorg), waren zuiver kapitalistische maatregelen. Ze maakten het mogelijk om de wederopbouw van een productief vermogen, dat totaal verwoest was en in complete chaos verkeerde, beter te plannen en te coördineren. Tegelijkertijd stonden ze een efficiënter beheer van de arbeidskracht toe. Zo hadden de kapitalisten er bijvoorbeeld alle belang bij om over arbeiders te beschikken die in goede gezondheid waren, vooral op een moment dat er van hen een buitengewone productie-inspanning gevraagd werd, tegen de achtergrond van de hachelijkste levensomstandigheden en een schaarste aan arbeidskracht. Maar deze kapitalistische maatregelen werden voorgesteld als ‘arbeidersoverwinningen’, niet alleen door de stalinistische partijen die de volslagen verstaatsing van de economie op hun programma hadden staan, maar ook door de sociaal-democratische partijen en met name door de ‘arbeiderspartij’ in Groot-Brittannië. Dat verklaart waarom in alle Europese landen de linkse partijen, de stalinistische partijen daarbij inbegrepen, vertegenwoordigd waren in de regeringen, hetzij in coalities met ‘democratische’ rechtse partijen (zoals de christen-democratie in Italië), hetzij aan het hoofd van de regering (in Groot-Brittannië was het de Labour-arbeidersafgevaardigde Attlee die in juli 1945 Churchill als eerste minister verving, ondanks de reusachtige populariteit van de laatste en de onschatbare diensten die hij aan de Engelse bourgeoisie had verleend).
Maar na verloop van twee jaar, toen de beloften van een ‘betere toekomst’, die de socialistische en stalinistische partijen hadden gedaan om de meest ondraaglijke offers op te leggen, niet waren nagekomen, begonnen de arbeiders de strijd aan te gaan. In Frankrijk bijvoorbeeld dwong de staking in de grootste fabriek van het land, Renault, in de lente van 1947 de stalinistische partij (wiens leider Maurice Thorez de arbeiders in alle sectoren eerder onophoudelijk had opgeroepen om ‘eerst te werken’ en dan pas eisen te stellen) om de regering te verlaten. Vervolgens liet deze partij, door middel van de vakbond die onder haar hoede stond, de CGT, een hele reeks van stakingen uitbreken om de arbeiders hun woede te laten afreageren voordat ze er zelf door kon worden verrast, maar ook en vooral om druk uit te oefenen op de andere delen van de bourgeoisie opdat deze in de regering opnieuw gebruik zouden maken van haar diensten. Maar de andere burgerlijke partijen hielden zich doof. Ze hadden geen enkele vrees wat betreft de loyaliteit van de stalinisten in de verdediging van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse. Ondertussen was de Koude Oorlog begonnen en in de landen van West-Europa hadden de belangrijkste delen van de bourgeoisie zich achter de Verenigde Staten geschaard. Trouwens, in alle andere landen waar de stalinistische partijen deelnamen aan de regering, maakten ze zich meester van de macht als ze zich in de Russische bezettingszone bevonden of werden ze uit de regering gegooid als ze zich in de Westerse bezettingszone bevonden.
Vanaf dat moment begonnen de levensomstandigheden van de arbeiders in West-Europa een kleine verbetering door te maken. Dat had natuurlijk niets te maken met de een of andere vrijgevigheid van de bourgeoisie. In werkelijkheid stroomden de miljarden dollars van het Marshall-plan binnen om de bourgeoisie van West-Europa stevig te hechten aan het Amerikaans blok en om de invloed te ondermijnen van stalinistische partijen die sindsdien de leiding van de arbeidersstrijd op zich namen.
In de landen van Oost-Europa, die niet profiteerden van het Amerikaanse manna omdat de stalinistische partijen het op bevel van Moskou hadden afgewezen, duurde het langer voordat de situatie zich een beetje verbeterde. De arbeiderswoede kon zich echter niet op dezelfde manier uiten. De eerste tijd werden de arbeiders opgeroepen de kommunistische partijen te steunen die hen gouden bergen beloofden, des te meer omdat ze niet alleen deel uitmaakten van de regeringen die tijdens de ‘Bevrijding’ waren gevormd (zoals in het merendeel van de Westerse landen) maar zich zelfs aan het hoofd van de regering stelden met de steun van het ‘Rode Leger’ en de ‘burgerlijke’ partijen uitschakelden. Het bedrog dat men de arbeiders voorhield was dat van de ‘opbouw van het socialisme’. Dit bedrog had een zeker succes, zoals bijvoorbeeld in Tsjecho-Slowakije waar de ‘coup van Praag’ van februari 1948, dat wil zeggen de greep naar de macht door de stalinisten, door de arbeiders met veel sympathie werd begroet.
Maar heel snel werden in de ‘volksdemocratieën’ het brute geweld en de repressie de belangrijkste middelen van controle over de arbeidersklasse. Zo werd de arbeidersopstand die in 1953 in Oost-Berlijn en in talloze andere steden van de Russische bezettingszone tot ontwikkeling kwam in bloed gesmoord door Russische pantserwagens (1). En hoewel de arbeiderswoede die zich in Polen begon te manifesteren in de grote staking van Poznan van 1956 onschadelijk werd gemaakt door de terugkeer van Gomulka (een stalinistisch leider die in 1949 uit de partij was gezet op beschuldiging van ‘titoïsme’ en die van 1951 tot 1955 gevangen zat) als staatshoofd op 21 oktober 1956, werd de opstand van de Hongaarse arbeiders, die enkele dagen later begon, vanaf 4 november op een wrede manier onderdrukt door Russische tanks, wat 25.000 doden en 160.000 vluchtelingen tot gevolg had (2).
Het oproer van de arbeiders van 1953 en van 1956 in de ‘socialistische’ landen vormde een duidelijk bewijs voor het feit dat deze landen niets ‘des arbeiders’ hadden. Toch gebruikten alle delen van de bourgeoisie hetzelfde bedrog om te verhinderen dat de proletariërs de ware lering uit deze gebeurtenissen zouden trekken.
In de landen van het Oostblok vormde de ‘kommunistische’ propaganda, de voortdurende verwijzing door de stalinistische leiders naar het ‘marxisme’ en naar het ‘proletarisch internationalisme’, het beste middel om de arbeiderswoede af te leiden van een klassenperspectief en de illusies van de proletariërs in de burgerlijke democratie en het nationalisme te versterken. Zo trok op 17 juni 1953 een reusachtige stoet arbeiders van Oost-Berlijn over de grote ‘Unter den Linden-laan’ naar het westen van de stad. Het doel van deze stoet bestond uit het zoeken naar solidariteit bij de arbeiders van West-Berlijn, maar de illusie dat de Westerse autoriteiten de arbeiders van Oost-Berlijn te hulp zouden komen bestond eveneens. Deze autoriteiten doopten, nadat ze hun sector hadden afgesloten, met al het cynisme dat hen kenmerkt het westelijke deel van ‘Unter den Linden’ vervolgens om tot de ‘Strasse des 17. Juni’. Ook de eisen van de Poolse arbeiders van 17 juni 1956 waren, hoewel ze duidelijk economische aspecten bevatten, sterk gekleurd door democratische en vooral nationalistische en religieuze illusies. Daardoor verkreeg Gomulka, die zich voordeed als een ‘patriot’ die het hoofd wist te bieden aan Rusland en die bij zijn terugkeer aan de macht kardinaal Wyszynski (die sinds september 1953 was vastgezet in een klooster) vrijliet, aan het eind van 1956 opnieuw controle over de situatie. In Hongarije bleef de arbeidersopstand, ofschoon ze er in slaagde zich te organiseren in arbeidersraden, ook sterk gekleurd door democratische en nationalistische illusies. Bovendien begon de opstand na de bloedige onderdrukking van een manifestatie, die bijeengeroepen was door studenten die in Hongarije een koers zoals die van Polen eisten. De maatregelen, die Imre Nagy (een oude stalinist die in april 1955 als partijleider van zijn post was ontheven door de ‘harde’ tendens) doorvoerde hadden tot doel deze illusies uit te buiten om de touwtjes weer in handen te nemen: de vorming van een coalitieregering en de aankondiging van de terugtrekking van Hongarije uit het Warschaupact. Maar voor de Sovjet-Unie was deze laatste maatregel onaanvaardbaar en ze besloot om haar tanks in te zetten.
De interventie van de Russische troepen verschafte duidelijk extra voedsel aan het nationalisme in de landen van Oost-Europa. Van deze gebeurtenis werd overvloedig gebruikt gemaakt in de propaganda van de ‘democratische’ en pro-Amerikaanse sectoren van de bourgeoisie van West-Europa, terwijl de stalinistische partijen van deze landen in hun propaganda de opstand van de arbeiders van Hongarije voorstelden als een chauvinistische, of ‘fascistische’ beweging in dienst van het Amerikaanse imperialisme.
Zo vormde gedurende de hele periode van de ‘Koude Oorlog’, en zelfs toen deze na 1956 werd vervangen door de ‘vreedzame coëxistentie’, de verdeling van de wereld in twee blokken een instrument van de eerste orde om de arbeidersklasse te misleiden. In de jaren 1930 had, zoals we in het eerste deel van dit artikel hebben gezien, de vereenzelviging van het kommunisme met de stalinistische Sovjet-Unie een grote ontmoediging veroorzaakt in sommige delen van de arbeidersklasse, die geen maatschappij ‘à la Sovjet-Unie’ wilden en die zich opnieuw tot de sociaal-democratische partijen hadden gewend. Tegelijkertijd volgde de meerderheid van de arbeiders die bleven hopen op een proletarische revolutie de stalinistische partijen. Die partijen beriepen zich in hun politiek op verdediging van het ‘socialistische vaderland’ en de ‘antifascistische’ strijd, die hen in staat hadden gesteld de arbeiders voor de Tweede Wereldoorlog te ronselen. In de jaren 1950 werd dezelfde politiek gebruikt om de arbeidersklasse te verdelen en te verwarren. Een deel van hen wilde niets meer weten van het kommunisme (dat vereenzelvigd werd met de Sovjet-Unie), terwijl het andere deel onderworpen bleef aan de ideologische heerschappij van de stalinistische partijen en zijn vakbonden. Zo werd vanaf de Koreaanse oorlog de botsing tussen Oost en West gebruikt om de verschillende sectoren van de arbeidersklasse tegen uit te spelen en miljoenen arbeiders werden ertoe overgehaald om zich in naam van ‘de strijd tegen het imperialisme’ achter het Sovjetkamp te scharen. De Franse kommunistische partij en de Vredesbeweging die onder haar controle stond organiseerden op 28 mei 1952 bijvoorbeeld een grote manifestatie in Parijs tegen de komst van de Amerikaanse generaal Ridgway, commandant van de Amerikaanse troepen in Korea. Daar Rigdway (feitelijk onterecht) werd beschuldigd van het gebruik van bacteriologische wapens, klaagde de manifestatie, die tienduizenden arbeiders omvatte (hoofdzakelijk militanten van de PCF), hem aan als ‘Ridgway-de-Pest’ en eiste dat Frankrijk de NAVO zou verlaten. Er waren zeer gewelddadige botsingen met de politie en de nummer twee van de PCF, Jacques Duclos, werd gearresteerd. De vastberadenheid van de PCF om de confrontatie met de politie aan te gaan en de arrestatie van haar ‘historische’ leider gaf opnieuw een ‘revolutionair’ imago aan een partij die vijf jaar eerder nog de paleizen en ministeries van de burgerlijke Republiek bevolkte. Tegelijkertijd vormden de koloniale oorlogen een extra gelegenheid om de arbeiders van hun klassenterrein af te leiden in naam van, alweer, de ‘strijd tegen het imperialisme’ (en niet de strijd tegen het kapitalisme), waarin de Sovjet-Unie werd voorgesteld als kampioen van de ‘rechten en vrijheid van de volkeren’.
Dit soort van campagnes werd in de jaren 1950 en 1960 in talrijke landen voortgezet, vooral tijdens de oorlog in Vietnam waarin de Verenigde Staten zich vanaf 1961 volop begaf.
Als er één land is waar de verdeling van de wereld in twee blokken aanzienlijk door woog, waar de contrarevolutie zich met heel bijzondere omvang manifesteerde, dan is dat wel Duitsland. Het proletariaat van dit land had meerdere decennia de voorhoede van het wereldproletariaat gevormd. De arbeiders van de hele wereld waren zich ervan bewust dat het lot van de revolutie in Duitsland zou worden beslecht. Dat bleek duidelijk tussen 1919 en 1923. De nederlaag van het proletariaat van dit land besliste over de nederlaag van het wereldproletariaat. En de verschrikkelijke contrarevolutie die daarna over haar was neergedaald in de vorm van het nazisme vormde met het stalinisme de duidelijkste uiting van de contrarevolutie die de arbeiders van alle landen teisterde.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft de tweedeling van Duitsland, waarbij de delen elk toebehoorden aan één van de twee grote imperialistische blokken, het mogelijk gemaakt om aan de twee kanten van het IJzeren Gordijn, het bewustzijn van de arbeidersmassa’s te vernietigen waardoor van het Duitse proletariaat op het vlak van de strijdbaarheid en het bewustzijn voor meerdere tientallen jaren niet de voorhoede maar de achterhoede van het proletariaat van Europa werd gemaakt.
Toch bestond in deze hele periode de belangrijkste factor waardoor de arbeidersklasse werd verlamd en waardoor zij onderworpen bleef aan de ideologie van het kapitalisme uit de ‘welvaart’ van het systeem met de wederopbouw van de economieën die door de oorlog waren verwoest.
Tussen het einde van de jaren 1940 en het midden van de jaren 1960 kende het wereldkapitalisme wat de economen en burgerlijke politici de ‘dertig glorieuze jaren’ hebben genoemd – want ze gaan uit van de periode van 1945 tot 1975 (een jaar dat gekenmerkt werd door een zeer ernstige wereldrecessie) – zonder rekening te houden met de moeilijkheden die zich al in 1967 en 1971 hadden voorgedaan.
We zullen hier nóch de redenen van de snelle economische groei van deze jaren onderzoeken nóch de factoren die er een eind aan maakten. Dit hebben we al in vele artikelen in deze Internationale Revue gedaan (3). Wat belangrijk is om vast te stellen is dat de open crisis die zich vanaf 1967 ontwikkelde (vertraging van de wereldeconomie, recessie in Duitsland, devaluatie van de Pond Sterling, toename van de werkloosheid) andermaal het marxisme bevestigde dat:– altijd aankondigde dat het kapitalisme niet in staat was zijn economische tegenstellingen, die in laatste instantie verantwoordelijk zijn voor de stuiptrekkingen van de twintigste eeuw (en vooral voor de twee wereldoorlogen), definitief te boven te komen;– de perioden van welvaart van het kapitalisme altijd beschouwde als perioden waarin dit systeem een steviger politieke en sociale basis had (4);– het perspectief van een proletarische revolutie altijd baseerde op het bankroet van de kapitalistische productiewijze (5).
Zo kon de ideologische onderwerping van de arbeidersklasse aan het kapitalisme, het geheel van de misleidingen die de massa’s arbeiders afhielden van iedere vraagstelling over het kapitalisme, alleen te boven worden gekomen met de beëindiging van de naoorlogse ‘hausse’.
Dat is precies wat er in 1968 gebeurde.
Eind 1967, toen de burgerlijke ideologen niet ophielden de glorie van de kapitalistische economie te bejubelen en sommigen, hoewel die zich beriepen op de revolutie en zelfs het marxisme, over niets anders meer spraken dan over de vermogen van de burgerlijke maatschappij om de arbeidersklasse te ‘integreren’ (6), en toen zelfs groepen die voortkwamen uit de Kommunistische Linkerzijde die waren voortgekomen uit de zich ontaardende Derde Internationale geen eind aan de tunnel zagen, publiceerde het kleine tijdschrift Internacionalismo (dat later een publicatie van de IKS in Venezuela werd) een artikel getiteld 1968, een nieuwe stuiptrekking van het kapitalisme begint. Het artikel werd als volgt besloten:
“We zijn geen profeten, en beweren dan ook niet dat we kunnen voorspellen wanneer en hoe gebeurtenissen zich in de toekomst zullen afspelen. Maar van één ding zijn we bewust overtuigd: het proces waarin het kapitalisme nu is gestort kan niet meer worden tegengehouden met hervormingen, devaluaties of andere economische maatregelen en het leidt regelrecht naar de crisis. En we zijn er eveneens van overtuigd dat het tegenoverliggende proces, dat van een ontwikkeling van de strijdbaarheid waarvan we nu getuige zijn, de arbeidersklasse zal voeren naar een bloedige en directe strijd voor de vernietiging van de burgerlijke staat.”
De enige, maar grote verdienste van onze kameraden die dit artikel publiceerden was dat ze trouw bleven aan datgene wat het marxisme had geleerd en dat enkele maanden later op magistrale wijze werd bevestigd. Zo barstte in mei 1968 in Frankrijk de grootste staking in de geschiedenis uit, waarbij het grootste aantal arbeiders ooit (bijna 10 miljoen) tegelijkertijd het werk neerlegde.
Een gebeurtenis van een dergelijk omvang betekende een fundamentele verandering in de maatschappij ontwikkeling: de verschrikkelijke contrarevolutie die aan het eind van de jaren 1920 over de arbeidersklasse neerdaalde en na de Tweede Wereldoorlog nog twee decennia voortduurde was aan zijn eind gekomen. En dat werd wereldwijd al snel bevestigd door een hele reeks ongekend belangrijke gevechten, zoals die tientallen jaren lang niet waren vertoond:– de Italiaanse hete herfst van 1969, die massale strijd in de belangrijkste industriële centra liet zien en uitdrukkelijk de vakbondsinkadering op de helling zette;– de arbeidersopstand in Cordoba in Argentinië in datzelfde jaar;– de massale arbeidersstakingen aan de Baltische kust in Polen in de winter van 1970-1971;– de talrijke andere gevechten in de daaropvolgende jaren in praktisch alle Europese landen en vooral in Engeland (het oudste kapitalistische land ter wereld), in Duitsland (het machtigste land van Europa en baken voor de arbeidersbeweging sinds de tweede helft van de negentiende eeuw) en zelfs in Spanje (toentertijd nog onderworpen aan de wrede dictatuur van Franco).
Tegelijk met de opleving van de arbeidersstrijd kwam het idee van de revolutie weer sterk naar voren, een thema dat door talloze arbeiders in strijd werd bediscussieerd, vooral in Frankrijk en in Italië waar de meest massale bewegingen hadden plaatsgevonden. Dit ontwaken van het proletariaat uitte zich ook in een groeiende belangstelling voor de revolutionaire gedachte, voor de teksten van Marx en Engels en de marxistische geschriften, met name die van Lenin, Trotsky en Rosa Luxemburg, maar ook voor die van de militanten van de Kommunistische Linkerzijde, zoals Bordiga, Gorter en Pannekoek. Deze belangstelling concretiseerde zich in het ontstaan van een hele reeks kleine groepen, die probeerden om zich de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde eigen te maken en zich te laten inspireren door haar ervaring.
We gaan hier geen schets geven van de ontwikkeling van arbeidersstrijd sinds 1968, noch van de groepen die zich beriepen op de Kommunistische Linkerzijde (7). Daarentegen zullen we proberen duidelijk te maken waarom de voorspelling uit 1967 van onze kameraden uit Venezuela na drie decennia nog niet is uitgekomen, namelijk de voorspelling dat er “een bloedige en directe strijd voor de vernietiging van de burgerlijke staat” zou uitbreken.
De hindernissen die het proletariaat in de afgelopen dertig jaar op haar pad is tegengekomen zijn door onze organisatie geleidelijk duidelijk gemaakt. Het deel dat nu volgt is dan eigenlijk ook niet meer dan een korte samenvatting van wat wij bij andere gelegenheden naar voren hebben gebracht.
De eerste reden voor de huidige erg lange weg naar de kommunistische revolutie is van objectieve aard. De revolutionaire golf die in 1917 begon en die zich vervolgens uitbreidde naar talloze landen was een reactie op de plotselinge en drastische verslechtering van de levensomstandigheden van de arbeidersklasse: de wereldoorlog. Er was geen drie jaar voor nodig om het proletariaat, dat totaal verblind door de leugens van de bourgeoisie met ‘de bloemen op het geweer’ de oorlog was binnengegaan, de ogen te openen en het hoofd weer op te heffen tegenover het barbarendom waarmee het in de loopgraven werd geconfronteerd en aan de verschrikkelijke uitbuiting die het in het achterland onderging.
De objectieve reden voor de ontwikkeling van de arbeidersgevechten vanaf 1968 wordt gevormd door de verslechtering van de economische toestand van het kapitalisme, dat door zijn open crisis gedwongen was om de levensomstandigheden van de arbeidersklasse steeds meer aan te vallen. Maar in tegenstelling tot de jaren 1930, toen de bourgeoisie de controle over de economische situatie totaal verloor, ontwikkelt de huidige open crisis zich niet binnen enkele jaren maar doorloopt hij een proces van verschillende decennia. Dit geleidelijke ontwikkeling van de crisis vloeit voort uit het feit dat de heersende klasse lering heeft getrokken uit de voorbij ervaring en een hele reeks van systematische maatregelen heeft genomen om het afdalen in de afgrond te ‘beheren’ (8). Dat verandert niets aan het onoplosbare karakter van de kapitalistische crisis, maar het stelt de heersende klasse wel in staat de aanvallen op de arbeidersklasse in ruimte en tijd te spreiden, en tegelijkertijd gedurende een hele tijd zelfs in haar eigen ogen te verbergen dat er geen uitweg uit de crisis is.
De tweede factor waardoor de lengte wordt verklaard van de weg van de arbeidersklasse naar de revolutie bestaat uit de ontwikkeling door de heersende klasse van een hele reeks van politieke manoeuvres die de strijd moeten uitputten en de bewustwording tegengaan.
In grote lijnen kan men de verschillende strategieën van de bourgeoisie sinds 1968 als volgt samenvatten:– geconfronteerd met een eerste opleving van de arbeidersstrijd waardoor ze duidelijk verrast werd speelde de bourgeoisie de kaart van ‘het linkse alternatief’ uit. Ze riep de arbeiders op van strijd af te zien om de linkse partijen in staat te stellen een andere economische politiek te voeren waarmee de crisis opgelost zou kunnen worden;– nadat deze politiek de strijdbaarheid van de arbeiders enige tijd verlamde bracht het ontstaan van een nieuwe strijdgolf vanaf 1978 (Groot-Brittannië kende bijvoorbeeld in 1979 met 29 miljoen stakingsdagen de grootste strijdbaarheid sinds 1926) de bourgeoisie van de belangrijkste industriële landen (in het bijzonder van Engeland, Verenigde Staten, Duitsland en van Italië) ertoe de kaart van links in de oppositie uit te spelen, waarbij de zogenaamde arbeiderspartijen en de vakbonden die onder hun controle stonden een radicalere taal aansloegen, bestemd om de arbeidersstrijd van binnenuit te saboteren;– deze politiek verklaart voor een groot deel de teruggang in de arbeidersstrijd vanaf 1981, maar kon de omvangrijke heropleving van de strijd niet verhinderen die zich vanaf de herfst van 1983 ontwikkelde (de overheidssector in België, en daarna in Nederland, de mijnwerkersstaking in Engeland in 1984, de algemene staking in Denemarken in 1985, de massale stakingen in België in de lente van 1986, stakingen van de spoorwegarbeiders in Frankrijk aan het eind van 1986, een reeks van stakingen in Italië in 1987, met name in het onderwijs, enzovoort).
Het belangrijkste kenmerk van deze bewegingen, die een diepgaande bewustwording binnen de arbeidersklasse vertaalden, was het groeiende probleem van de klassieke vakbonden om de strijd onder controle te houden. Daardoor was de bourgeoisie gedwongen om steeds vaker gebruik te maken van organen die zich voordeden als niet-vakbeweging of zelfs anti-vakbeweging (zoals de ‘coördinaties’ in Frankrijk en in Italië in 1986-1988), maar die in werkelijkheid alleen maar structuren van de ‘vakbondsbasis’ zijn.
Gedurende deze hele periode voerde de bourgeoisie een hele reeks van manoeuvres uit die bedoeld waren om de arbeidersstrijd in te dammen en de bewustwording van het proletariaat af te remmen. Maar in deze arbeidersvijandige politiek werd ze aanzienlijk gesteund door de ontwikkeling van een nieuw verschijnsel, de ontbinding van de kapitalistische maatschappij. De historische opleving van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960 had de bourgeoisie verhinderd haar eigen antwoord op de crisis van haar systeem te formuleren, dat wil zeggen een nieuwe imperialistische wereldoorlog (zoals de crisis van 1929 uitliep op de tweede wereldslachting). Maar zolang het kapitalisme niet was omgewenteld kon het proletariaat niet verhinderen dat alle kenmerken van het verval van het systeem steeds verder tot ontwikkeling kwamen:
“De geschiedenis ging ondanks die tijdelijke blokkering van de wereldsituatie gewoon verder. Twintig jaar lang bleef de maatschappij de opeenstapeling van alle karaktertrekken ondergaan van het verscherpte verval door de verdieping van de economische crisis, terwijl de heersende klasse juist iedere dag meer haar onvermogen bewees om daaraan iets te verhelpen. Het enige dat die klasse de maatschappij kan voorhouden is het van dag tot dag en stukje bij beetje volhouden, zonder hoop de onontkoombare ineenstorting van de kapitalistische productiewijze af te wenden. Beroofd van ieder historisch project – zelfs van het meest suïcidaire, een wereldoorlog – dat in staat zou zijn haar krachten te mobiliseren, kan de kapitalistische maatschappij niet anders dan ter plekke wegrotten, afzinken in een vergevorderde sociale ontbinding, in de veralgemeende wanhoop.” (9).
Toen het kapitalisme in verval in zijn ultieme fase terechtkwam, die van de ontbinding, heeft het gedurende de jaren 1980 een toenemend negatief gewicht op de arbeidersklasse uitgeoefend:
“De ideologische ontbinding tast natuurlijk eerst en vooral de kapitalistenklasse zelf aan en als weerslag daarvan ook de kleinburgerlijke lagen, die over geen enkele zelfstandigheid als klasse beschikken. We kunnen zelfs zeggen dat die zich heel goed met de ontbinding kunnen vereenzelvigen, rekening houdend met het feit dat hun specifieke situatie, hun gebrek aan toekomst als klasse, perfect aansluit bij de belangrijkste oorzaak van de ideologische ontbinding: het ontbreken van elk onmiddellijk perspectief voor de maatschappij als geheel. Alleen het proletariaat draagt een perspectief voor de mensheid in zich en bijgevolg is het grootste verzetsvermogen tegenover deze ontbinding te vinden in de rangen van het proletariaat. Toch blijft het proletariaat er niet van gespaard doordat het voortdurend in aanraking komt met de kleinburgerij die er de belangrijkste drager van is. De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse uitmaken komen in rechtstreekse confrontatie met de verschillende ideologische aspecten van deze ontbinding:– collectieve actie en solidariteit raken in conflict met de atomisering, met het ‘ieder voor zich’, het ‘redde wie zich redden kan’;– de behoefte aan organisatie botst op de sociale ontbinding, op het uiteenvallen van de betrekkingen die ten grondslag liggen aan elk sociaal leven:– het vertrouwen in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop die de maatschappij geleidelijk in zijn greep krijgt, het nihilisme en het ‘no future’;– het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de drang naar theoretisch begrip moeten zich moeizaam een weg banen tussen de vlucht in hersenschimmen, drugs, sekten, mysticisme, het afwijzen van overdenking en de vernietiging van de denkwereld waardoor ons tijdperk wordt gekarakteriseerd.”
“Een van de factoren waardoor deze toestand verslechtert is gelegen in het feit dat een groot deel van de jonge arbeidersgeneratie de plaag van de werkeloosheid ondergaat zonder zelfs maar de mogelijkheid te hebben gehad om in gezelschap van kameraden tijdens het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve leven van de arbeidersklasse inhoudt. Hoewel deze werkloosheid, als direct resultaat van de huidige crisis, op zichzelf geen uiting van de ontbinding is, dan heeft hij in deze bijzondere fase van het verval gevolgen die een belangrijk bestanddeel van de ontbinding worden. Werkloosheid maakt over het algemeen duidelijk dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden. Maar ze is nu ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van sommige delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders. Dit bedreigt de huidige en toekomstige politieke capaciteiten van de klasse. Tijdens heel de jaren 1980 hebben we een voortdurende stijging van de werkloosheid gezien, maar ook een volledige afwezigheid van belangrijke werklozenbewegingen, of pogingen daartoe. In de jaren 1930, in het midden van de contrarevolutie was het proletariaat met name in de Verenigde Staten wèl in staat deze vorm van strijd aan te gaan. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn.” (10).
In de context van de moeilijkheden waarop de arbeidersklasse in haar bewustwordingsproces stuitte vond in 1989 een historisch belangrijke gebeurtenis plaats, die zelf een manifestatie was van de ontbinding van het kapitalisme, de ineenstorting van de stalinistische regimes in Oost-Europa, die door alle delen van de bourgeoisie werden voorgesteld als ‘socialistisch’:
“De huidige gebeurtenissen rammelen de zogenaamde ‘socialistische landen’ door elkaar, in feite is het Russische blok al verdwenen, het stalinisme is definitief bankroet op economisch, politiek en ideologisch vlak. Dit is, samen met de internationale terugkeer van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960, het belangrijkste historische feit sinds de Tweede Wereldoorlog. Een gebeurtenis van dit formaat kan niet zonder weerklank blijven, en inderdaad vindt het zijn weerklank al in het bewustzijn van de arbeidersklasse, eens te meer omdat het een ideologisch en politiek systeem betreft dat meer dan een halve eeuw lang door alle delen van de bourgeoisie ‘socialistisch’ of als ‘van de arbeidersklasse’ is genoemd.
Met het stalinisme verdwijnt het symbool en de speerpunt van de ergste contrarevolutie uit de geschiedenis.
Maar dit betekent niet dat de ontwikkeling van het bewustzijn van het wereldproletariaat hierdoor wordt vereenvoudigd. Integendeel. Zelfs met zijn doodsstrijd verleent het stalinisme nog een laatste dienst aan de heerschappij van het kapitaal; terwijl het tot ontbinding komt verpest het lijk de atmosfeer die het proletariaat inademt. Voor de heersende delen van de bourgeoisie zijn de definitieve ineenstorting van het stalinisme, de ‘liberale’, ‘democratische’ en nationalistische beweging die nu in Oost-Europese landen optreden, een gulden gelegenheid om hun mystificatiecampagnes nog eens te lanceren en te versterken.
De vereenzelviging die systematisch wordt aangebracht tussen kommunisme en stalinisme, deze leugen die duizendmaal herhaald wordt, en nu meer dan ooit, de leugen dat de proletarische revolutie alleen in een ramp kan eindigen, zal geruime tijd invloed hebben op de arbeidersklasse. We moeten dus een tijdelijke teruggang in het bewustzijn van het proletariaat verwachten. De tekenen van deze invloed zijn nu al zichtbaar in het wederom versterken van de positie van de vakbonden. Terwijl de aanhoudende en de steeds krachtiger brute aanvallen die het kapitalisme wel op het proletariaat moet loslaten de arbeiders zal dwingen de strijd aan te gaan, zal dit aanvankelijk niet resulteren in een groter vermogen binnen de klasse om het bewustzijn te ontwikkelen. Vooral de reformistische ideologie zal in de komende periode zwaar doorwegen op de strijd en dit zal de actie van de vakbeweging vereenvoudigen.” (11).
Deze voorspelling, die we deden in oktober 1989 werd in de loop van de jaren 1990 volledig bevestigd.
De teruggang van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse manifesteerde zich in een verlies aan vertrouwen in haar eigen kracht en heeft een algemene teruggang in de strijdbaarheid veroorzaakt waarvan we op het moment van dit schrijven nog steeds de effecten kunnen zien.
In 1989 omschreven we de voorwaarden waaronder de arbeidersklasse deze teruggang kon omkeren:
“Gegeven het historisch belang van de gebeurtenissen die hem veroorzaken, gaat de huidige terugslag voor het proletariaat – hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt, het algemeen perspectief van klassenconfrontaties – veel dieper dan die welke gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen. Dit gezegd hebbende kunnen we niet van te voren de reële omvang of duur ervan voorzien. Vooral het ritme van de ineenstorting van het Westerse kapitalisme – dat we nu kunnen zien versnellen, in het perspectief van een nieuwe en open recessie – zal een beslissende factor zijn voor het bepalen van het moment waarop het proletariaat zijn mars naar revolutionair bewustzijn weer kan voortzetten. Door alle illusies over het ‘herstel’ van de wereldeconomie weg te vagen, door de leugen bloot te leggen van het ‘liberale’ kapitalisme als oplossing voor het bankroet van het zogenaamde ‘socialisme’, door het historisch bankroet van het geheel van de kapitalistische productiewijze aan te tonen en niet allen van de stalinistische vorm ervan, zal de verscherping van de kapitalistische crisis het proletariaat er uiteindelijk weer toe brengen zich te richten op het vooruitzicht van een nieuwe maatschappij en zijn strijd steeds meer in dit perspectief te zien.” (12).
En inderdaad werden de jaren 1990 gekenmerkt door het vermogen van de wereldbourgeoisie, vooral van haar belangrijkste fractie, die van de Verenigde Staten, het ritme van de crisis te vertragen en zelfs de illusie te scheppen dat er een ‘einde aan de tunnel’ zou komen. Een van de belangrijkste oorzaken van het huidige niveau van strijdbaarheid van de arbeidersklasse, en eveneens van de problemen om het zelfvertrouwen en bewustzijn te ontwikkelen, is gelegen in de illusies die het kapitalisme wist te scheppen over de ‘voorspoed’ van zijn economie.
Daarbovenop is er nog een ander, meer algemeen gegeven dat een verklaring vormt voor de problemen met de huidige politisering van het proletariaat, een politisering die het in staat stelt, al is het maar in embryonale vorm, de inzet te begrijpen van de strijd die het levert om die te laten gedijen en te versterken:
“Om alle gegevens van de huidige en de komende periode te begrijpen dienen ook de kenmerken in overweging te worden genomen van het proletariaat dat nu de strijd levert:– het is samengesteld uit arbeidersgeneraties die nog geen nederlaag hebben geleden, zoals de generaties die in de jaren 1930 en tijdens de Tweede Wereldoorlog volwassen werden; daardoor en doordat de bourgeoisie ze nog geen beslissende nederlaag heeft kunnen toebrengen is hun strijdbaarheid nog onaangetast;– deze generaties profiteren van een onomkeerbaar afslijten van de grote misleidingen (het vaderland, de democratie, het antifascisme, de verdediging van de Sovjet-Unie), die het in het verleden mogelijk maakten de arbeiders te ronselen voor de imperialistische oorlog.
Deze twee wezenlijke kenmerken maken duidelijk waarom de huidige historische koers naar klassenconfrontaties leidt en niet naar de imperialistische oorlog. Maar wat momenteel de kracht van het proletariaat uitmaakt vormt tezelfdertijd zijn zwakheid: het feit dat alleen de generaties die geen nederlaag hebben meegemaakt in staat waren om de weg naar de klassengevechten terug te vinden zorgt ervoor dat er tussen deze generaties en de generatie die de laatste beslissende gevechten in de jaren 1920 hebben geleverd een enorme kloof bestaat die het huidige proletariaat duur komt te staan:– een aanzienlijke onwetendheid over het eigen verleden en de lering die daaruit kan worden getrokken;– vertraging bij de vorming van de revolutionaire partij.
Deze kenmerken verklaren in het bijzonder de ontwikkeling van de huidige arbeidersstrijd met horten en stoten. Ze stellen ons in staat om de momenten van gebrek aan zelfvertrouwen te begrijpen van een proletariaat dat zich niet bewust is van de kracht die het tegenover de bourgeoisie kan vertegenwoordigen. Ze laten eveneens de lengte van de weg zien die voor het proletariaat ligt en dat het de revolutie alleen zal kunnen volbrengen als het de ervaringen van het verleden bewust heeft verwerkt en zijn klassenpartij heeft opgericht.
Met de historische opleving van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960 werd de vorming van de partij op de dagorde gezet, maar dat kon niet worden gerealiseerd vanwege:– het gat van een halve eeuw dat ons scheidt van de oude revolutionaire partijen;– het verdwijnen of min of meer uitgesproken wegkwijnen van de linkerfracties die daarruit waren voortgekomen;– het wantrouwen van veel arbeiders ten opzichte van iedere politieke organisatie (of die nu burgerlijk of proletarisch is) [...], de vertaling van een historische zwakheid van het proletariaat met betrekking tot de noodzakelijke politisering van zijn strijd.” (13).
Zo zien we hoelang voor het proletariaat de weg is die naar de kommunistische revolutie leidt. Diepgang en duur van de contrarevolutie, haast volledige verdwijning van zijn kommunistische organisaties, ontbinding van het kapitalisme, ineenstorting van het stalinisme, het vermogen van de heersende klasse om de neergang van zijn economie onder controle te houden en er illusies over te verspreiden. Het lijkt erop dat het proletariaat in de laatste dertig jaar, en zelfs sinds de jaren 1920, bij de voortgang op zijn pad werkelijk niets bespaard is gebleven.
Aan het eind van het eerste deel van dit artikel maakten we gewag van de verschillende afspraken met de geschiedenis die het proletariaat in de loop van de twintigste eeuw misliep: de revolutionaire golf die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog en die uitliep op een nederlaag, de ineenstorting van de wereldeconomie vanaf 1929, en de Tweede Wereldoorlog. We zagen ook dat het proletariaat de afspraak die hij op het einde van de jaren 1960 met de geschiedenis had niet misliep, maar tegelijkertijd hebben we de vele hindernissen gezien waarop het sindsdien is gestoten en die zijn gang naar de proletarische revolutie zozeer hebben vertraagd.
De revolutionairen van de negentiende eeuw, te beginnen met Marx en Engels, dachten dat de revolutie in de loop van diezelfde eeuw zou kunnen plaatsvinden. Ze hebben zich vergist en waren ook de eersten om hun vergissing toe te geven. In feite bestonden de materiële voorwaarden voor de proletarische revolutie pas aan het begin van de twintigste eeuw, iets wat bevestigd werd door de eerste imperialistische wereldslachting. Op hun beurt dachten de revolutionairen van het begin van de twintigste eeuw dat met het bestaan van de objectieve voorwaarden de kommunistische revolutie in de loop van diezelfde eeuw zou plaatsvinden. Ook zij hebben zich vergist. Als men het geheel van de historische gebeurtenissen die tot nu toe verhinderden dat de revolutie plaatsvond de revue laat passeren dan kan met het gevoel krijgen dat ‘het proletariaat weinig geluk heeft gehad’, dat hij geconfronteerd werd met een reeks van catastrofes en ongunstige omstandigheden, die echter geen van allen onvermijdelijk waren. Het is waar dat al deze feiten niet van te voren vaststonden, en er was maar weinig voor nodig of de geschiedenis was anders verlopen. De revolutie in Rusland bijvoorbeeld had heel goed door de Witte Legers kunnen worden verpletterd: dat zou de ontwikkeling van het stalinisme hebben voorkomen dat de ergste vijand van arbeidersklasse in de twintigste eeuw was en de gruwelijkste stoottroep van contrarevolutie uit de geschiedenis terwijl de negatieve gevolgen ervan zich meer dan tien jaar na haar verdwijning nog steeds doen gevoelen. Het was a priori ook niet onvermijdelijk dat de geallieerden de Tweede Wereldoorlog wonnen, waardoor voor lange tijd met kracht van de democratische ideologie overeind kon worden gehouden, die in de meest ontwikkelde landen het kommunistisch bewustzijn van het proletariaat efficiënt vergiftigd. Een andere uitkomst van de oorlog waarbij het stalinisme het conflict niet had overleefd was ook mogelijk geweest, waarmee was voorkomen dat de tegenstelling tussen de blokken kon worden voorgesteld als een botsing tussen kapitalisme en socialisme. We zouden dan ook geen ineenstorting van het ‘socialistische’ blok hebben gekend, waarvan de schadelijke ideologische gevolgen nu zo zwaar drukken op de arbeidersklasse.
Dat gezegd hebbende kan de opeenhoping van hindernissen die het proletariaat in de loop van de twintigste eeuw op haar pad vond in haar totaliteit niet worden beschouwd als een eenvoudige opeenvolging van allerlei ‘tegenspoed’, maar fundamenteel als een uiting van de reusachtige opgave die de proletarische revolutie vertegenwoordigt.
Eén aspect van dit probleem wordt gevormd door het vermogen van de bourgeoisie om munt te slaan uit de verschillende situaties die zich voordoen, door deze stelselmatig tegen de arbeidersklasse te keren. Het is het bewijs dat deze klasse, ondanks de buitengewoon lange doodsstrijd van haar productiewijze, ondanks het barbarendom dat zij niet kan voorkomen en dat zich zo’n beetje overal ter wereld ontwikkelt, ondanks de totale verrotting van de maatschappij en de ontbinding van haar ideologie, buitengewoon waakzaam blijft en bewijst over een grootste politieke intelligentie te beschikken als het erom gaat het proletariaat te verhinderen de revolutie naderbij te brengen. Een van de redenen waarom de voorspellingen van de revolutionairen uit het verleden over het moment van de revolutie niet zijn uitgekomen bestaat uit het onderschatten van de kracht van de heersende klasse, vooral van haar politieke intelligentie. Momenteel kunnen de revolutionairen alleen werkelijk bijdragen aan de strijd van het proletariaat voor de revolutie als ze deze politieke kracht van de bourgeoisie – en met name heel het machiavellisme dat ze zo nodig tentoon spreidt – weet in te schatten en de arbeiders waarschuwt voor alle valkuilen die de vijandelijke klasse voor hen graaft.
Maar er bestaat een nog fundamenteler reden voor de reusachtige moeilijkheden van het proletariaat om de revolutie dichterbij te brengen. Dat is een reden die al gesignaleerd was in de zo vaak geciteerde passage uit de tekst van Marx uit De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte:
“Proletarische revoluties daarentegen [...] kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug [...] schrikken steeds opnieuw terug voor de ontzaglijke omvang van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen, die elk omkeren onmogelijk maakt, en de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, hic salta!” (14).
Eén van de oorzaken van de geweldige problemen die de grote meerderheid van de arbeiders ondervindt om zich tot de revolutie te wenden bestaat inderdaad uit de duizeling die zich van hen meester maakt als ze denken aan de taak die zo reusachtig is dat hij haast onuitvoerbaar lijkt. Inderdaad, de taak die eruit bestaat om de machtigste klasse die de geschiedenis ooit heeft gekend en het systeem dat de mensheid in staat stelde om reusachtige stappen vooruit te doen voor de materiële productie en de beheersing van de natuur omver te werpen lijkt haast onuitvoerbaar. Maar wat de arbeidersklasse het meest doet duizelen is de enorme omvang van de taak die eruit bestaat om een radicaal nieuwe maatschappij op te bouwen, eindelijk verlost van de plagen die de menselijke maatschappij sinds haar ontstaan hebben overstelpt, de schaarste, de uitbuiting, de onderdrukking, de oorlogen.
Toen gevangenen en slaven permanent ketenen aan hun voeten hadden raakten ze vaak zodanig gewend aan deze dwang dat ze zelfs het gevoel hadden niet zonder hun ketenen te kunnen lopen, en soms verzetten ze zich als men ze afdeed. Dat is ongeveer wat er met het proletariaat aan de hand is. Terwijl het in staat is de mensheid te bevrijden ontbreekt het nog aan zelfvertrouwen om bewust de richting in te slaan naar dit doel.
Het moment nadert waarop “de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, hic salta!” Als de mensenmaatschappij in de handen blijft van de bourgeoisie, zal ze de volgende eeuw niet halen of slechts aan stukken gescheurd en zonder nog iets menselijks te hebben. Zolang dat uiterste nog niet is bereikt, zolang er nog een kapitalistisch systeem bestaat, zelfs als het is ondergedompeld in de diepste crisis, zolang zal er noodzakelijkerwijs een uitgebuite klasse bestaan, het proletariaat. En bijgevolg bestaat de mogelijkheid dat het, aangespoord door het totale economische bankroet van het kapitalisme, zijn aarzelingen uiteindelijk overwint en de reusachtige taak op zich neemt die het door de geschiedenis is toevertrouwd, de kommunistische revolutie.
Fabienne
1. Zie Oost-Duitsland, de arbeidersopstand van juni 1953, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 15.
2. Zie Klassenstrijd in Oost-Europa (1920-1970), in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 11.
3. Zie ook onze brochure: Crisis en verval van het kapitalisme.
4. “Hierdoor werd hem [Marx] uit de feiten zelf volledig duidelijk wat hij tot dan toe uit het onvolledige materiaal a priori had geconstrueerd: dat de wereldhandelscrisis van 1847 de eigenlijke moeder was geweest van de Februari- [Parijs] en Maartrevoluties [Wenen en Berlijn] en dat het midden 1848 weer langzamerhand opgetreden en in 1849 en 1850 weer tot volle bloei gekomen industriële opleving de bezielende kracht vormde van de zich weer versterkende reactie in Europa.” (Friedrich Engels, Inleiding bij Karl Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, Pegasus, Amsterdam 1974, p. 9).
5. “Een nieuwe revolutie is alleen mogelijk als gevolg van een nieuwe crisis, maar zij zal komen, net zo zeker als de crisis zelf” (Karl Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, t.a.p., p. 9 en 155).
6. Dit goldt vooral voor Herbert Marcuse, de ideoloog van de studentenrevoltes van de jaren 1960, die meende dat de arbeidersklasse niet langer een revolutionaire kracht kon vormen, en dat de enige hoop op omverwerping van het kapitalisme te vinden was in de marginale lagen zoals de zwarten en studenten in de Verenigde Staten, of de arme boeren in de Derde Wereld.
7. We hebben dit al gedaan in vele artikelen in de Internationale Revue. Zie in het bijzonder het Rapport over de klassenstrijd van het Dertiende Congres van de IKS, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 99.
8. Zie onze artikelenreeks: Dertig jaar open crisis van het kapitalisme, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 96, 97 en 98.
9. Kommunistische revolutie of vernietiging van de mensheid, Manifest van het Negende Congres van de IKS. Over deze kwestie, zie in het bijzonder De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgaven, nr. 13.
10. Ibidem.
11. Stellingen over de economische en politieke crisis in de USSR en de Oost-Europese landen, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 12.
12. Ibidem.
13. Resolutie over de internationale situatie van het Zesde Congres van de IKS, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 44, en in Wereldrevolutie, nr. 28.
14. Karl Marx, De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Pegasus, Amsterdam 1976, p. 23.
Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 104, eerste kwartaal 2001.
Het succes van Europees Sociaal Forum (ESF) dat afgelopen november 2003 in Parijs plaatsvond getuigt afdoend van de gestage toename in de laatste tien jaar van de invloed die de anders-globalistische beweging uitoefent. Na enig gestamel voor een relatief beperkt gehoor (een beperking die eerder beroepsgebonden dan geografisch was omdat het onder academici en ‘denkers’ al snel wereldwijd gehoor vond) heeft de beweging al snel de karaktertrekken aangenomen van een traditionele ideologische beweging: allereerst won het aan populariteit door het radicalisme van de manifestaties van Seattle eind 1999 ter gelegenheid van de top van de Wereld Handelsorganisatie (WHO); daarna door mediafiguren waarbij José Bové bovenaan de erelijst stond, en tenslotte door haar markante en onontkoombare gebeurtenissen: het Sociale Wereldforum (WSF), bedoeld als de tegenhanger van het forum van Davos dat de grote economische wereldleiders bijeenbracht, een WSF dat de eerste drie keer (in 2001, 2002 en in 2003) georganiseerd was in Porto Alegre, de stad die symbool stond voor het ‘zelfbeheer van de inwoners’.
Sinds deze daverende start is de vloedgolf alleen maar groter geworden: de forums ontluiken op alle continenten (de ESF is er het belangrijkste voorbeeld van, maar er hebben ook andere regionale forums plaatsgevonden, onder andere in Afrika). Het WSF gaat op zijn beurt van de ene plaats naar de andere om in 2004 aan te komen in India; de kranten, tijdschriften, vergaderingen en manifestaties vermenigvuldigen zich met verbijsterende snelheid… Het is momenteel nauwelijks mogelijk om zich bezig te houden met sociale vraagstukken zonder onmiddellijk te worden geconfronteerd met een ware stroom van anders-globalistische ideeën.
Een zo sterke opkomst roept onmiddellijk een reeks vragen op: waarom zo snel, zo omvangrijk en zo krachtig? En waarom nu?
Voor de volgelingen van het anders-globalisme is het antwoord eenvoudig: als hun beweging momenteel zo’n succes kent, dan is dat omdat ze een duidelijk antwoord geeft op de problemen die zich in de huidige periode aan de mensheid voordoen. Maar als ze dat zeggen dan moeten ze eerst maar eens uitleggen, onder andere, hoe het mogelijk is dat de media (die voor het grootste deel in handen zijn van dezelfde grote ‘transnationals’ die ze onophoudelijk aan de kaak stellen) zoveel publiciteit geven aan hun woorden en daden.
Het is waar dat het spectaculaire succes van de anders-globalistische beweging voortvloeit uit het feit dat deze beantwoordt aan een werkelijke behoefte, dat zij reële belangen dient. De vraag is dus: wie heeft de anders-globalistische beweging werkelijk nodig? Welke belangen wordt er eigenlijk door verdedigd? Betreft het hier de belangen van verschillende onderdrukte lagen (zoals arme boeren, vrouwen, ‘uitgeslotenen’, arbeiders, gepensioneerden) die ze beweert te verdedigen, óf de belangen van de gepatenteerde voorvechters van de huidige maatschappelijke orde die tenslotte propaganda maken voor het anders-globalisme en het ook financieren?
Eigenlijk bestaat de beste manier om deze vragen te beantwoorden eruit ze naast de huidige ideologische behoeften van de bourgeoisie te leggen. De heersende klasse staat momenteel voor de ontegenzeggelijke noodzaak om de beste manier te vinden waarop zij beslissende slagen kan toebrengen aan het bewustzijn van de arbeidersklasse.
Het eerste gegeven is gelegen in de economische crisis die, alhoewel ze niet nieuw is en al begonnen is aan het einde van de jaren 1960, zo’n dieptepunt heeft bereikt dat de bourgeoisie er niet meer omheen kan om er een enigszins realistische taal erop na te houden. De schaamteloze leugen die was gebaseerd op de tweecijferige groeivoet van de Aziatische ‘draken’ (Zuid-Korea, Taiwan, enzovoort) om de gezonde toestand van het kapitalisme na de ineenstorting van het Oostblok te bewijzen, snijdt geen hout meer: die zogeheten draken spuwen nauwelijks nog vuur uit. Wat betreft de ‘tijgers’ (Thailand, Indonesië, enzovoort), die geacht worden hen te vergezellen, ze brullen niet langer maar zijn overgeleverd aan de welwillendheid van hun schuldeisers. De leugen die er voor in de plaats kwam en die de ‘opkomende landen’ verving door ‘opkomende sectoren’ van de economie onder de titel van ‘nieuwe economie’, hield nog minder lang stand: de onverbiddelijke waardewet bracht de speculatieve geestdrift tot rede, maar het was een hardvochtige rede die het grootste deel van deze ondernemingen aan de grond bracht.
Momenteel is de ‘recessieve context’, waarvan iedere nationale bourgeoisie de oorzaak toeschrijft aan de problemen van de buren, een eufemisme dat de ernst van de economische toestand tot in het centrum van het kapitalisme nauwelijks verhult.
En deze taal wordt eveneens vergezeld van een onophoudelijk hameren op de noodzaak ‘een inspanning te doen’, de ‘broekriem aan te halen’ om snel de welvaart weer terug te brengen. Dat is een min of meer verhulde aankondiging van de aanvallen die de bourgeoisie inzet tegen de arbeidersklasse, aanvallen die harder, omvangrijker zijn en elkaar sneller zullen opvolgen, en die door de ernst van de crisis noodzakelijk zijn geworden om de belangen van de heersende klasse te verdedigen.
Deze aanvallen zullen ongetwijfeld een reactie van het proletariaat teweegbrengen, zelfs als dat, al naar gelang het land en het ogenblik, verschillende vormen aanneemt, en de strijd tot ontwikkeling brengen. Deze bijzondere situatie vormt ook de gist voor een begin van een bewustwording in sommige delen van de arbeidersklasse. Het gaat hierbij niet om een spectaculaire ontwikkeling van het klassenbewustzijn. Desalniettemin rijst er momenteel binnen de arbeidersklasse een hele serie vragen over de werkelijke redenen van de aanvallen die door de bourgeoisie worden doorgevoerd, over de werkelijke economische situatie, maar ook over de ware redenen van de oorlogen die over de hele wereld doorlopend uitbreken, en over de middelen om effectief tegen deze rampen te strijd, en die niet meer zo gemakkelijk kunnen worden weg verklaard als noodlottigheden voortkomend uit de ‘menselijke natuur’.
Deze vraagstelling heeft nog lang niet de omvang bereikt waarop het een bedreiging vormt voor de politieke heerschappij van het kapitalisme. Toch is zij verontrustend en de bourgeoisie kan die beter in de kiem smoren dan tot wasdom laten komen. Deze ongerustheid vormt de achtergrond van het ideologische arsenaal van de anders-globalisering, dat een adequate reactie van de bourgeoisie vormt op de beginnende bewustwording binnen de arbeidersklasse. Men herinnere zich het centrale idee dat na de ineenstorting van het Oostblok en de zogenaamde ‘socialistische’ landen eindeloos werd herhaald: “Het kommunisme is dood, leve het liberalisme! De tijd van de confrontatie tussen twee werelden is voorbij, en dat is des te beter omdat ze een bron van oorlog en ellende was. Voortaan bestaat er één enkele wereld, de enige wereld die mogelijk is, die van het liberale en democratische kapitalisme, en die is een bron van vrede en voorspoed.”
Het zou niet veel tijd kosten voordat deze wereld liet zien dat zij nog altijd in staat was om oorlog te ontketenen, ellende en barbarendom te verspreiden, zelf na het verdwijnen van het vijandelijke ‘Rijk van het Kwaad’ (zoals de voormalige Amerikaanse president Reagan het noemde). En minder dan tien jaar na deze triomf van de enige mogelijke wereld groeit opeens het idee van een ‘andere mogelijke’ wereld, een alternatief voor het liberalisme. De heersende klasse schatte heel goed in wat de effecten op langere termijn zijn van de crisis van zijn systeem op de bewustzijnsontwikkeling van het proletariaat. Ze wist snel een groot en dicht rookgordijn op te trekken waarmee de arbeidersklasse kon worden afgehouden van haar vooruitzicht van een ‘andere wereld’ waarin er, in tegenstelling tot wat de anders-globalisten denken, voor de bourgeoisie geen plaats is.
Zoals we zagen, is het nauwelijks verwonderlijk dat de vragen, die de zoekenden binnen de arbeidersklasse zich stellen, kunnen worden ingedeeld in drie fundamentele thema’s:
Deze drie vragen hebben van meet af aan alle aandacht van de arbeidersbeweging opgeëist. De arbeidersklasse kan zich wapenen om het kapitalisme omver te werpen en het kommunisme op te bouwen omdat ze in staat is de dieperliggende oorzaken van de bestaande toestand te begrijpen, omdat ze in staat is te begrijpen dat er tegenover die oorzaken maar één vooruitzicht mogelijk is en omdat ze in staat is daaruit haar eigen historische revolutionaire rol af te leiden.
Bijna twee eeuwen aan ervaring laten zien dat we het vermogen van de bourgeoisie om dit bewustwordingsproces en de daarin vervatte historische gevaren te begrijpen niet mogen onderschatten. Vandaar dat de anders-globalistische ideologie, ondanks haar bonte verschijningsvormen, vooral op deze drie kernthema’s rust.
Het eerste van deze thema’s, de werkelijke toestand van de wereld, laat onmiddellijk zien hoezeer de ideologie van het anders-globalisme integraal deel uitmaakt van de misleidingsstrategie van de bourgeoisie, want de leugens over de economische situatie van het kapitalisme worden geheel en al overgenomen. Voor het anders-globalisme, net als voor alle ulktra-linkse en anarchistische ideologieën, blijft de werkelijkheid van de historische crisis van dit systeem verborgen achter een doorlopende aanklacht tegen de grote ondernemingen. Als een hele regio van de wereld wegzakt in een situatie van economische stagnatie dan wordt de schuld gegeven aan de multinationals. Als de armoede zich uitbreidt tot in het hart van de geïndustrialiseerde landen, dan wordt ook dat toegeschreven aan de winsthonger van de grote ondernemingen. De wereld kent alom oneindige rijkdom met als enige tekortkoming dat diezelfde rijkdom wordt ingepalmd door een harteloze minderheid. In dit schijnbaar samenhangende schema ontbreekt er een fundamenteel element voor wie de ontwikkeling van de toestand in de wereld wil begrijpen: dat is de crisis, de uiteindelijke crisis die het bankroet van het kapitalisme kenmerkt.
Voor de bourgeoisie is het altijd van cruciaal belang geweest om deze werkelijkheid te verbergen, omdat die laat zien dat haar systeem niet eeuwig is, dat hij gedoemd van het historische toneel te verdwijnen. Daarom spreekt ze, als het gaat over de toenemende stuiptrekkingen die haar economie plagen, in termen van ‘een recessieve context’, van ‘een uitweg uit de tunnel’ die oplicht en de toekomst die ons spoedig zal toelachen. Maar sinds deze praatjes aan ons zijn voorgeschoteld zien we de situatie echter alleen maar verslechteren. Dit belet de bourgeoisie niet om te proberen deze leugen een nieuwe glans te geven door hem uit te laten dragen door het anders-globalisme.
Maar dat weerhoudt het anders-globalisme er niet van een alternatief voor het huidige systeem te presenteren. Of, beter gezegd, meerdere alternatieven. Dat is het tweede belangrijke thema waarop haar ideologie is gebaseerd. Ieder onderdeel van deze beweging oefent inderdaad haar eigen kritiek uit op de huidige wereld, lichtelijk verschillend van die van de anderen: nu eens wordt ze gekleurd door ecologische ideeën, dan weer door economische, culturele, voedings- of seksuele bedenkingen... de lijst is lang. Die verschillende kritieken blijven daar niet toe beperkt: elk van hen heeft eigen positieve oplossingen voorhanden. Vandaar dat de anders-globalistische beweging de leuze voert dat ‘andere werelden mogelijk zijn’: van een wereld zonder genetisch gemanipuleerd voedsel tot een zelfbeheerde wereld, met tussendoor het meest klassiek staatskapitalistische.
Het feit dat er zoveel politieke alternatieven naar voren worden gebracht vormt geen enkel gevaar voor de heersende klasse, in de zin dat geen enkele van die alternatieven het kader van de kapitalistische maatschappij overstijgt. Zij vertegenwoordigen slechts min of meer omvangrijke, min of meer utopische aanpassingen van de kapitalistische maatschappij, maar altijd verenigbaar met de heerschappij van de bourgeoisie. Tegenover het slechte functioneren van het systeem houdt de bourgeoisie de arbeidersklasse feitelijk een hele waaier van ‘oplossingen’ voor, die een rookgordijn vormen om zo het enige perspectief te verbergen dat een eind kan maken aan het barbarendom en de ellende: de wegnemen van hun fundamentele oorzaak, het wegkwijnend kapitalisme.
Het derde thema van het anders-globalisme vloeit als vanzelf voort uit de twee voorgaande: nadat de werkelijke oorzaak van de ellende en het barbarendom is verborgen, nadat het enig mogelijke perspectief om daaraan te ontsnappen is verborgen, hoeft alleen nog de kracht te worden verborgen die dat kan bewerkstelligen. Daarom maakt het anders-globalisme propaganda voor een hele scala aan revoltes en protestbewegingen, vaak voortgekomen uit de boerenstand van de Derde Wereld, maar ook van ontwikkelde landen zoals de beweging die wordt aangevoerd door José Bové, en ook uit de kleinburgerlijke lagen die hier of daar overgaan tot een wanhopige aanval op de macht van een corrupte dictatuur of van een bananenrepubliek. Al deze revoltes vormen een duidelijke reactie op, en een afwijzing van de ellende die de crisis over het grootste deel van de mensheid laat neerdalen. Maar geen enkele bevat ook maar de minste vonk die in staat zou zijn de kapitalistische orde te laten exploderen. Integendeel, dergelijk oproer blijft opgesloten in het nationalistische kader en bevat geen enkel constructief alternatief voor de orde waarop het de aanval opent.
Al meer dan anderhalve eeuw heeft de arbeidersbeweging aangetoond dat het proletariaat de enige macht is, die in staat is om de maatschappij werkelijk om te vormen. Ook al is dit niet de enige klasse die opstaat tegen het kapitalistische barbarendom, toch heeft het als enige de sleutel in handen om dat barbarendom te overstijgen. Om dat te bereiken moet het niet alleen zijn internationale eenheid tot stand brengen, maar ook zijn autonomie als klasse tegenover alle andere klassen van de maatschappij. Dat weet de bourgeoisie heel goed. Door deze kleinburgerlijke nationalistische strijd op de voorgrond te plaatsen sluit ze het proletariaat op in een keurslijf, waarin zijn bewustzijn en eigen vooruitzicht niet tot ontwikkelen kunnen komen.
Dit soort van bedrog beantwoordt een gevaar dat de bourgeoisie al lang kent: het proletariaat beschikt over het vermogen om haar systeem, sinds dat aan het begin van de twintigste eeuw in haar vervalperiode terecht kwam, omver te werpen. De heersende klasse heeft dit gevaar sinds de Eerste Wereldoorlog onderkend toen de revolutionaire golf, die in 1917 in Rusland begon, de kapitalistische orde jarenlang bedreigde, vanaf 1919 in Duitsland tot aan 1927 in China. Ze heeft dus niet op het laatste decennium gewacht om haar strijdplan op te stellen. Vandaar dat de arbeidersklasse al meer dan een eeuw ideologische aanvallen heeft moeten verduren, gebaseerd op leugens met betrekking tot de ware aard van de crisis, het kommunistisch perspectief en het vermogen van de arbeidersstrijd. De anders-globalistische vloedgolf is dus geen nieuwigheid in de geschiedenis van het burgerlijke denken tegenover het proletariaat. De kracht ervan duidt evenwel op een wijziging in de ideologische klassenconfrontaties, die het noodzakelijk maakte dat de heersende klasse haar middelen om het proletariaat te bedriegen aanpaste.
“Verander nooit een team dat wint”, plegen sportspecialisten te zeggen. In de grond zijn de burgerlijke misleidingen, die bedoeld zijn om de arbeidersklasse te verhinderen haar revolutionaire bewustzijn te ontwikkelen, altijd van hetzelfde soort omdat ze moeten beantwoorden aan steeds dezelfde behoeften, zoals we hierboven zagen. Traditionee