Kritiek op het bulletin “A trop courber l’échine”: De twijfels van het anarchisme over de arbeidersklasse

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mailDoor de crisis die het anarcho-sindikalistische milieu sedert enkele jaren verscheurt leiden de debatten tot een hele reeks van krachtenbundelingen. De stellingname van het bulletin A trop courber l’échine (Teveel het hoofd gebogen) is heel representatief voor het soort van vragen dat er in discussie is: “Wij zijn de erfgenamen van de oude revolutionaire beweging. Wij hebben er de wezenlijke actie- en organisatiemiddelen van bewaard zoals de sabotage, het internationalisme, de zelforganisatie en de directe actie. Wij hebben er vooral het doel van bewaard: het kommunisme. [...] Maar met welke werkelijkheid worden wij momenteel geconfronteerd? Zien wij een klasse die er voor strijdt om werkelijk haar toekomst te verwezenlijken? [...] Het begrip ‘klasse’ is steeds minder geldig om onze analyses te verhelderen en onze acties te leiden. Wij stellen inderdaad vast dat in de rijkere en geïndustrialiseerde landen het merendeel van onze tijdgenoten zichzelf niet meer herkennen als behorend tot een sociale klasse. Hoe kunnen wij de proletariër van vandaag definiëren? [...] Zich inbeelden dat de huidige eisenbewegingen iets gemeenschappelijks hebben met de oude revolutionaire arbeidersbeweging is een valse voorspiegeling. [...] Maar wat er vooral ontbreekt aan deze huidige bewegingen is juist wat kenmerkend was voor de oude beweging: een bewustzijn, een ethiek en een vastberaden wil om de wereld radicaal te veranderen. [...] Wat is er eigenlijk gemeenschappelijk in een 24-uurs staking voor het verkrijgen van een loonsverhoging van 1% en de daden die gesteld werden door het revolutionaire proletariaat? Niets.” (1).

Waarom is de arbeidersklasse een revolutionaire klasse?


Voor de marxisten is de revolutionaire aard van het proletariaat geen geloofsbelijdenis of verafgoding van deze klasse. De revolutionaire aard van het proletariaat kan niet allereerst worden verklaard uit zijn vermogen om in opstand te komen tegen de bestaande orde. Heel wat uitgebuite klassen uit het verleden zijn de confrontatie aangegaan met de heersende klasse, zoals de slavenopstand (Spartacus) in de Oudheid of deze van de lijfeigenen in de Middeleeuwen (de boerenrevoltes). Ook zij beriepen zich op het een kommunisme en een primitieve vorm van gelijkheidsideaal, zonder daarom in hun tijd een revolutionaire klasse te zijn. Voor het marxisme onderscheiden revolutionaire klassen zich van andere klassen van de maatschappij door het feit dat ze, in tegenstelling tot die anderen, in staat zijn de heersende klasse omver te werpen. Zolang de materiële ontwikkeling van de productiekrachten ontoereikend was om overvloed te verzekeren voor het geheel van de leden de maatschappij was deze veroordeeld tot behoud van de economische ongelijkheden en uitbuitingsverhoudingen in haar midden. In die omstandigheden kan enkel een nieuwe uitbuitende klasse zich opdringen als leiding van de maatschappij. De slavenmaatschappij werd voorbijgestreefd door de feodale klasse; het feodalisme werd vernietigd door de bourgeoisie.
De revolutionaire aard van het proletariaat is evenmin gestoeld op het perspectief van ‘gelijkberechtiging’ van het proletariaat dat van zijn ‘rechten’ is beroofd door de heersende klasse. Waaraan het proletariaat zijn revolutionaire aard ontleent is de plaats die het inneemt binnen de kapitalistische productieverhoudingen: als het kapitalisme te gronde gaat is dat niet doordat het te weinig produceert maar  doordat het te veel produceert, en als gevolg van een ontoereikende koopkrachtige vraag. De maatschappij is er niet toe in staat het geheel van de voortgebrachte waren te kopen, alhoewel de menselijke behoefte verre van bevredigd zijn en daarin berust nu juist deze werkelijk absurde ramp van de overproductie. Deze vindt zijn bron in de veral-gemeende heerschappij van de ruilverhoudingen van waren. Het enige middel om deze tegenstellingen te overstijgen berust in het afschaffen van alle mogelijke vormen van waren en in het bijzonder van de waar arbeidskracht (de sociale verhouding van de loonarbeid waardoor de arbeidskracht van het proletariaat tot een waar wordt zoals iedere andere waar). Het is pas als de rijkdommen van de maatschappij collectief toegeëigend zullen worden door diezelfde maatschappij dat ook koop en verkoop kunnen verdwijnen. De hefboom van deze tegenstelling is het proletariaat, de geassocieerde klasse die de voortbrengster is van het geheel van de rijkdom van de maatschappij, maar die beroofd wordt van het product van haar arbeid. Enkel het proletariaat, dat de specifieke vorm van kapitalistische uitbuiting ondergaat, de loonarbeid, kan zich het te boven komen van de kapitalistische sociale verhoudingen stellen voor ogen hebben.
Het kapitalisme is, net zoals alle uitbuitingssystemen in de geschiedenis, is voor het proletariaat een in de geschiedenis voorbijgaand systeem, dat gedoemd is om te verdwijnen. Door zijn ontwikkeling heeft het de voorwaarden geschapen van een materiële overvloed, de voorwaarde voor de afschaffing van elke uitbuiting, maar bovendien ook de klasse, die van de proletariërs, die als eerste in de geschiedenis in staat zijn om van het kommunisme ook een materiële werkelijkheid te maken. De bijzonderheid van het proletariaat ligt nu juist in het feit dat het de eerste klasse in de geschiedenis is die tegelijkertijd een uitgebuite en een revolutionaire klasse is (2). De revolutionaire aard van de arbeidersklasse kan niet worden begrepen als men niet de historische draagwijdte van haar strijd inziet. Elke politieke opvatting die zich vastpint op een fotografische visie van dat moment, aan het bestaat van een verdeelde en aan het kapitaal onderworpen arbeidersklasse, kan enkel in de kaart spelen van de belangen van de heersende klasse (of die zelfs dienen).

De twijfels over de revolutionaire aard van de arbeidersklasse


De stelling van A trop courber l’échine dat de arbeidersklasse in niets meer zou lijken op die van het verleden, om vervolgens te beweren dat men niet meer op haar zou kunnen rekenen, is niets nieuws voor de arbeidersbeweging. De revolutionairen hebben voortdurend, en moeten ook nu nog, een ongenadige strijd moeten leveren tegen dit soort gif. Zo was het ook, wat Trotsky in de herinnering riep, aan de vooravond 1905, dat de Russische bourgeoisie trompetterde dat “er geen revolutionair volk in Rusland is”, juist op het moment dat “de telegraaf over de hele wereld het nieuws verspreidde van het begin van de Russische Revolutie [...] Wij hadden er op gewacht er en twijfelden er niet aan. Voor ons was zij jarenlang een logisch voortvloeisel geweest van onze ‘doctrine’ die de spotlust opwekte van alle sufferds van alle mogelijke politieke richtingen. Ze geloofden niets van de revolutionaire rol van het proletariaat. [...] Er waren geen politieke vooroordelen of ze geloofden die voetstoots. Maar het geloof in de arbeidersklasse hielden ze voor een vooroordeel.” (3).
Sinds een paar jaar maken we een opbloei mee van een literatuur die de oudste deuntjes van de vijanden van de arbeidersklasse weer in omloop brengen. Voor de ‘radicale’ groep Krisis is de strijd tussen bourgeoisie, “naar haar functie gewoon een elite”, en het proletariaat “waarvan de strijd het niet mogelijk maakt om uit het kapitalisme te geraken”, geen strijd tussen een heersende klasse en een revolutionaire, maar tussen “twee verschillende belangen” binnen het kapitalisme. Het zou er om gaan zich te bevrijden van de arbeid “zonder te steunen op enige wet uit de geschiedenis” maar “op de afkeer die het individu heeft van zijn eigen bestaan” (4).
Om haar greep op de uitgebuiten te behouden en ze in de passiviteit op te sluiten, aarzelgt de heersende klasse geen moment om bij elke gelegenheid heel schoolmeesterachtig de verdwijning van het proletariaat te verkondigen, zijn integratie, zijn verburgerlijking, en ga zo maar door, maar alleen om telkens weer… te worden tegengesproken door de feiten!
Dat gebeurde ook toen op het einde van de jaren 1960 de groep van Castoriadis, Socialisme ou Barbarie, aankondigde dat de tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat plaats had gemaakt voor de tegenstelling tussen “leiders en geleiden”. Later beweerde Herbert Marcuse, die meende dat de arbeidersklasse “geïntegreerd” was in de kapitalistische maatschappij, dat de enige verzetskracht bestond uit sociaal gemarginaliseerde categorieën zoals de zwarten in de Verenigde Staten, de studenten, of de boeren van de onderontwikkelde landen. Deze hersenspinsels werden van de kaart geveegd door de gigantische staking van Mei 1968 en de terugkeer van het proletariaat op het toneel van de geschiedenis en waarvan de strijd van de jaren 1970-1980 zou uitlopen op de massastaking in Polen van 1980.
De twijfels over de revolutionaire aard van het proletariaat van A trop courber l’échine zijn niet alleen typisch voor perioden waarin de strijd van de arbeidersklasse niet uitdrukkelijk zijn revolutionaire aard laat zien. Zij zijn meer algemeen een uitdrukking van het gewicht en de invloed van de ideologie van de heersende klasse binnen de maatschappij. En bovenal liggen aan de basis van die twijfels de verwarringen van het anarchisme.

De anarchistische verwarringen in dienst van de burgerlijke campagnes


Wanneer het voor de arbeidersklasse steeds duidelijker welk doodlopend straatje het kapitalistische systeem is ingeslagen, dat de uitzichtloze economische ineenstorting steeds groter delen van de bevolking veroordeelt tot absolute ellende, dat de oorlog hele streken van de planeet verwoest, dan wordt de arbeidersklasse gedwongen om op zoek te gaan naar een alternatief voor deze ramp. De burgerlijke ideologie aarzelt momenteel niet – met behulp van het anders-globalisme – om zich te hullen in ‘anti-kapitalistischse’ kleren en illusies in het leven te houden over de mogelijkheid om het systeem te hervormen, om op doeltreffendere wijze het vertrouwen van het proletariaat in eigen krachten te saboteren en weg te leiden van zijn revolutionair perspectief. Dank zij deze zogenaamd ‘anti-kapitalistische’ ideologie, vernieuwen de vakbonden en de linkse partijen hun verhaal om zich aantrekkelijker te maken en de arbeiders des te beter te bedriegen. Gebruikmakend van de nog grote kwetsbaarheid van de arbeidersklasse probeert de bourgeoisie het proletariaat op te lossen in de ‘bevolking’. Ze speelt in op het wijd-verbreide ‘anti-kapitalistisch’ gevoel om het proletariaat er toe aan te zetten zijn woede te uiten binnen het kader van de democratische staatsinstellingen, in de stembus, dat wil zeggen daar waar het volslagen machteloos is.
Als aanvulling op de reformistische ideologie van het anders-globalisme bewijst ook de anarchistische ideologie (die er de radicale versie van vormt) haar nut voor de bourgeoisie. Welk voordeel kan de heersende klasse slaan uit het anarchisme, uit deze ideologie die ogenschijnlijk zo ‘anti-staats’ en anti-burgerlijk is?
Dat van een bedrieglijk “revolutionarisme”, want immers ongevaarlijk is en niet in staat om de heerschappij van de bourgeoisie in gevaar te brengen. Dat komt doordat het anarchisme met de bourgeoisie bepaalde ‘democratische’ opvattingen deelt en die het vastketenen aan de kapitalistische maatschappij:
– Door de revolutionaire woordenpraal van de Franse revolutie weer op te pakken zien de anarchistische stromingen een revolutionaire kracht in het ‘volk’, een soort meervoud van het ‘vrije en zelfstandige individu’ waarop het zijn filosofische grondvesten heeft gebouwd: er zijn geen klassen, hoogstens een serie naast elkaar geplaatste sociale lagen. Iedere revolutionaire aard wordt aan het proletariaat ofwel ontzegd ofwel onbelangrijk gemaakt, en teruggebracht tot de rang van economische categorie net zoals de andere, naast de landloze boeren, de uitgeslotenen, de mensen ‘zonder’ of de vrouwen, de homoseksuelen, van allen die op de een of andere manier en zonder onderscheid enige vorm van onderdrukking ondergaan.
– Ideologisch gezien doen de anarchistische stromingen duchtig mee aan het afbreuk doen aan de grootste revolutionaire ervaring van het proletariaat heeft in de jaren 1917-1920 door  (net als de burgerlijke propaganda) te beweren dat de misdaden van het stalinisme een erfenis zouden zijn van Marx en Lenin (zogenaamd op rekening van het ‘autoritaire socialisme’).
– Door hun verbondenheid aan de ideologie van het ‘anti-fascisme’, in naam van de keuze voor het ‘minste kwaad’, van het anti-autoritarisme en de verdediging van de ‘vrijheid’, zijn de anarchisten de beste verdedigers geworden van de dictatuur van de burgerlijke ‘democratie’ (zoals we zagen tijdens de oorlog in Spanje in 1936). Het debat dat zich momenteel ontwikkelt onder de anarcho-sindikalisten over het gegrond zijn van de (selectieve) deelname aan de verkiezingen kan enkel bijdragen tot het behoud van dit burgerlijk bedrog dat het stembiljet een middel zou zijn voor de proletariërs om hun toestand te verbeteren!
Door het historisch trauma van het stalinisme worden vele proletariërs die op zoek gaan naar een werkelijk revolutionair perspectief momenteel verleid door de ‘libertaire’ stroming.
In dit milieu rond het anarchisme en het anarcho-sindicalisme zal de politieke verheldering van diegenen die eerlijk gehecht zijn aan de zaak van het kommunisme verlopen langs hun wil tot begrip te komen en zich de werkelijke historische ervaring van de arbeidersklasse weer eigen te maken.
Scott

(1) A trop courber l’échine, nr. 13, p/a STA, BP 1201, F-76171 Rouen cedex 1.
(2) Wij behandelen in dit artikel niet de vraag wie deel uitmaakt van de arbeidersklasse. We stippen alleen aan dat “het feit van verstoken te zijn van de productiemiddelen en gedwongen te zijn om ter overleving zijn arbeidskracht te verkopen aan de bezitters van de productiemiddelen, die deze ruil misbruiken om zich meester te maken van een meerwaarde, bepaald of men behoort tot de arbeidersklasse”. Voor meer details zie het artikel Het proletariaat is wel degelijk de revolutionaire klasse in de afleveringen 73 en 74 van de Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave).
(3) L.Trotsky, 1905, Editions Minuit, p.76-77.
(4) R. Kurz, E. Lohoff, N. Trenke, Manifeste contre le travail, uitgave Léo Scherr, 2002.