100 jaar na de spoorwegstaking van 1903: De lessen van de massastaking zijn nog steeds actueel

Printvriendelijke versieSend by email

Een eeuw geleden, in 1903, brak er in Nederland een beweging uit waarvan de draagwijdte eerst later werd begrepen en die één van de eerste massastakingen was die kenmerkend zouden worden voor de nieuwe periode van verval van het kapitalisme. In tegenstelling tot de anarchistische slogan over de ‘algemene staking’, die van te voren door een kleine minderheid zou worden voorbereid en vervolgens per decreet voor alle arbeiders zou worden afgekondigd, ontwikkelt de massastaking, die economisch zowel als politiek is, zich spontaan, onregelmatig, zichzelf steeds vernieuwend, met horten en stoten waarin de arbeiders zelf hun krachten zoeken, en met tussenpozen waarin de lessen worden getrokken om een volgende beweging des te beter voor te bereiden.

Rosa Luxemburg schreef daarover heel profetisch kort na de Russische revolutie van 1905: ”De Russische revolutie [...] heeft voor de eerste keer in de geschiedenis een grandioze verwezenlijking laten zien van het idee van de massastaking ‑ zoals we verderop nog zullen zien ‑ en zelfs van de algemene staking, en daarmee een nieuw tijdperk in de ontwikkeling van de arbeidersbeweging geopend. Daaruit volgt niet in het minst dat de door Marx en Engels aanbevolen tactiek van de politieke strijd en de door hen op het anarchisme geuite kritiek onjuist was. [...] De Russische revolutie, dezelfde revolutie die de eerste historische toets op het voorbeeld van de massastaking vormde, betekent niet alleen geen enkele redding van de eer van het anarchisme, maar betekent juist een historische afrekening met het anarchisme.” (Gesammelte Werke, Band 2, p. 95).

Omdat de spoorwegstaking van 1903 tot de vroegste voorbeelden behoort van deze beweging zijn de lessen ervan, inclusief die over de rol van de revolutionairen, nog steeds van groot belang. We staan een eeuw later juist aan het begin van een periode van oplevende klassenstrijd waarin het zelfvertrouwen van de klasse nog gering is en waarin het voorbeeld van 1903 een bron van inspiratie kan zijn.

We drukken hieronder het artikel over die staking uit ons boek De Hollandse Linkerzijde dat eerder in het Frans, Engels en Italiaans verscheen.

Deze staking is de belangrijkste sociale beweging die de arbeidersklasse in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog beroerde. Zij zou diepe sporen nalaten in het proletariaat dat zich verraden voelde door de sociaal‑democratie, en waarvan het meest militante deel zich nog meer ging richten op het revolutionaire syndicalisme. Vanaf 1903 was onherroepelijk het proces ingezet van scheiding tussen marxisme en revisionisme en als zodanig markeert de staking van 1903 het werkelijke begin van de ‘Tribunistische’ beweging als revolutionaire beweging.

De spoorstaking is eerst en vooral een protest tegen uitbuitingsvoorwaarden die men zich momenteel nog nauwelijks kan voorstellen. De spoorarbeiders waren onderworpen aan arbeidsvoorwaarden vergelijkbaar met die van de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal in het begin van de negentinde eeuw (l). Ze werkten 361 dagen per jaar en ze beschikten in 1900 over slechts vier dagen verlof. Anderzijds verminderde het bijzonder sterke corporatisme, door de verdeling in allerlei beroepscategorieën, de mogelijkheden van een ééngemaakte strijd. Zo hadden stokers, locomotiefbestuurders en arbeiders voor het onderhoud van de sporen ieder hun eigen vakbond. Elke vakbond kon stakingen op gang brengen zonder dat de anderen zich bij de strijd aansloten. De beroepsbonden, die hun eigenheid zorgvuldig beschermden, werden steeds meer een belemmering voor de massale eenheid van de arbeiders over de verschillen van hun scholingen heen. (2)

Tegen dergelijke voorwaarden brak er op 31 januari 1903 een spontane staking uit, niet vanuit de corporatistische vakbonden maar vanuit de basis van de spoorwegarbeiders. Deze nam devorm aan van een massastaking: niet alleen raakte ze alle delen van het transportpersoneel, maar ze breidde zich ook uit over heel het land. Ze was ook een massastaking omdat ze niet vertrok van specifieke eisen maar uit solidariteit met de havenarbeiders van Amsterdam, die in staking waren gegaan. Weigerend om zich te laten gebruiken als stakingsbrekers door verder te werken, verhinderden de transportarbeiders de pogingen van de bazen om hun goederen te vervoeren via het spoor. Deze solidariteitsbeweging, die kenmerkend is voor de massastaking, had een sneeuwbaleffect: de bakkers en metaalarbeiders van het transportmaterieel gaven steun (3). Maar wat nieuw was in deze beweging, die er niet in slaagde zich uit te breiden naar andere lagen van het proletariaat in Nederland, lag ongetwijfeld in het scheppen van een gekozen stakingscomité, dat voortkwam vanuit de basis en dat niet was aangesteld door de transportvakbond of de SDAP, ook al maakten leden daarvan er deel van uit (4). Door al deze kenmerken was de staking van 1903 niet langer een categoriale, zuiver economische staking; ze werd geleidelijk aan een politieke staking door een directe confrontatie met de staat. Op 6 februari besliste de Nederlandse regering inderdaad door een decreet van het Ministerie van Oorlog (5) tot mobilisatie van soldaten. Anderzijds riep ze een organisatie in het leven waarin de katholieke en protestantse vakbonden actief waren om de stakingsbrekers bijeen te brengen. Dit offensief van de bourgeoisie draaide op 25 februari uit op het indienen van een wetsvoorstel tegen de staking: de stakers werden met gevangenisstraf bedreigd en de regering besliste om een militair transportmaatschappij op te zetten om de staking te breken.

Maar meer dan door dreigementen en regeringsmaatregelen zou de staking van binnenuit worden ondermijnd, door de SDAP van Troelstra. Op 20 februari, tijdens een bijeenkomst waarop 60.000 stakers vertegenwoordigd waren, maar die in tegenstelling tot het stakingscomité niet openbaar was, stelde Troelstra de oprichting voor van een Comité van Verweer samengesteld uit verschillende politieke en vakbondsorganisaties. Dit comité bestond uit Vliegen, een SDAP‑revisionist, de leider van de transportvakbond Oudegeest, de NAS en anarchistische medestanders van Nieuwenhuis, die zelf geweigerd had om van een dergelijk orgaan deel uit te maken. Deze richting zou rampzalig blijken voor het verloop van de staking die werd voorgesteld tegen de regeringsmaatregelen. Vliegen verklaarde dat de staking niet kon worden uitgeroepen zolang de decreten van de klerikale regering Kuyper niet waren uitgevaardigd. In feite zou de houding van het ‘Comité van Verweer’ dat door verschillende organisaties, in het bijzonder door de SDAP, in het leven was geroepen, al snel negatief blijken. Niet alleen verlamden de tegenstellingen tussen de libertaire aanhangers van Nieuwenhuis (6) en sociaal‑democraten het Comité, maar het verpletterende gewicht van Troelstra, die er zelf geen deel van uitmaakte hoewel hij aan de wieg ervan stond, maakte er een organisme van dat vreemd was aan de strijd. Onder voorwendsel van de strijd tegen het ‘anarchistisch avonturisme’ sprak Troelstra zich uit tegen de politieke staking; hij beweerde dat deze, mocht daartoe worden besloten door de transportarbeiders in reactie op de ‘worgwetten’, enkel zou leiden tot een verscherping van de anti‑staingswetten in de Tweede Kamer. Die uitlatingen werden gepubliceerd in de sociaal‑democratische krant (7), zonder enig overleg met het Comité van Verweer of partij-instanties. Deze inbreuk op de discipline toont afdoende dat de revisionistische leiding van oordeel was dat ze geen verantwoording hoefde af te leggen tegenover de arbeiders of de militanten van de partij. Ze had zich losgemaakt gemaakt om des te beter de verzoening met de bourgeoisie ter hand te nemen. De Linkerzijde, door de pen van Pannekoek, leverde felle kritiek op deze daad, die enkel het begin was van een lange reeks daden van verraad aan de strijd: “Uw slappe en aarzelende houding kan alleen de bezittende klasse en de regering dienen”, schreef hij aan het adres van Troelstra (8).

Tijdens de tweede transportstaking, in april, wordt het verraad openlijk. De regering had anti-stakingswetten in stemming gebracht waarin werkonderbrekingen in het openbaar vervoer werden verboden. In plaats van een energieke houding aan te nemen verklaarden de leiders inhet Comité die van sociaal‑democratische strekking waren, zoals Oudegeest, zich tegen de algemene staking van alle arbeiders in Nederland. Toch waren op dat ogenblik verschillende stakingen aan de gang die een gunstiger sociale context voor de klassenstrijd schiepen dan in januari‑februari: in Amsterdam brak de staking uit bij de schippers, de smeden, de spoorwerkers en grondwerkers, de metaalarbeiders; en ook de gemeentearbeiders waren uit solidariteit in staking gegaan.

Op 8 april werd onder druk van de basis de algemene staking uitgeroepen. Vanaf het begin was het zwakke punt ervan dat de bijeenkomsten van de spoorarbeiders geheim waren en bijgevolg niet open stonden voor andere categorieën arbeiders. Ondanks de bezetting van de stations en de spoorwegen door het leger, wat aanleiding had moeten geven tot een veralgemening van de staking, was deze niet algemeen. Desondanks werd ze toch spontaan uitgebreid: in Utrecht en Amsterdam sloten de metaalarbeiders en de metselaars zich aan bij de solidariteitsbeweging. Noch de dreiging met vijf jaar gevangenisstraf voor de ‘agitatoren’ en twee jaar voor de stakers, straffen voorzien in de ‘worgwetten’, noch de aanwezigheid van het leger op de sporen, volstonden om de geestdrift te stoppen van de stakende arbeiders, die vanaf januari ‘de vreugde van de strijd’ hadden gekend (9).

De geestdrift en het elan van de arbeiders werden gestopt door de beslissingen die genomen werden door de sociaal‑democratische leiders van het ‘Comité van Verweer’ dat beweerde de strijd te leiden. Op 9 april laat Vliegen beslissen de stakingsbeweging te beëindigen. Voor het ongeloof en de woede van de transportarbeiders bleef het Comité onvindbaar. Tijdens een massabijeenkomst verhinderden de arbeiders Vliegen te spreken met kreten als “Hij heeft ons verraden!” Zelfs de Linkerzijde kreeg de kans niet het woord te voeren: de arbeiders maakten geen enkel onderscheid tussen revisionisten en marxisten en overstemden de toespraak van Roland Holst met de kreet “staking!” Zo zou de houding van de revisionisten bij de arbeidersklasse in Nederland voor lange tijd een verwerping van de sociaal‑democratie, zelfs de marxistische, met zich meebrengen, en wel ten gunste van het anarchosyndicalisme (10).

De transportstaking van 1903 had geen zuiver ‘Nederlandse’ wortels; ze markeert juist een keerpunt in de klassenstrijd in Europa. Ze komt op als spontane massastaking, die een bewuste kracht wordt in staat om de bourgeoisie op politiek vlak terug te dringen en de arbeiders een ontegenzeggenlijk gevoel van overwinning te geven. Maar het is als algemene staking, op gang gebracht door de vakbonden en partijen, dat ze mislukt.

Ze past in een hele historische periode die gekenmerkt wordt door de combinatie van politieke met economische stakingen, een periode die haar hoogtepunt bereikt in de revolutionaire beweging van 1905 in Rusland. Inderdaad, zoals Rosa Luxemburg benadrukt (11), “is het pas in een revolutionaire situatie, met de ontwikkeling van de politieke actie van het proletariaat, dat het belang en de omvang van de massastaking in hun volle omvang veschijnen.” Meer dan wie ook, met uitzondering van Pannekoek (zie verderop), wist Luxemburg in haar strijdschrift tegen de revisionisten de gelijkaardigheid te tonen van de strijd, dat wil zeggen de aard van het verschijnsel in zijn gelijktijdigheid over heel Europa aan het begin van de eeuw, Nederland daarbij inbegrepen, en tot op het Amerikaanse continent:

“In het jaar 1900 de massastaking van de mijnwerkers van Pennsylvania die volgens de Amerikaanse kameraden meer gedaan heeft voor de verspreiding van socialistische ideeën dan tien jaar agitatie; ook in 1900 de massastaking van de mijnwerkers in Oostenrijk, in 1902 massastaking van de mijnwerkers in Frankrijk, 1902 algemene staking van de volledige produktie in Barcelona, ter ondersteuning van de strijdende metaalarbeiders, 1902 demonstratieve massastaking in Zweden voor algemeen en gelijk stemrecht, 1902 in België massastaking voor algemeen en gelijk stemrecht; 1902 massastaking van de landarbeiders in heel oostelijk Galicië (meer dan 200.000) ter verdediging van het vakverenigingsrecht, januari en april 1903 twee massastakingen van de spoorwegpersoneel in Nederland, 1904 demassastaking van de spoorwegpersoneel in Hongarije, 1904 demonstratieve massastaking in Italië uit protest tegen de slachtingen in Sardinië, in januari 1905 massastaking van de mijnwerkers in het Ruhrbekken, in oktober 1905 demonstratieve massastaking in Praag en omgeving (100.000 arbeiders) voor algemeen stemrecht in het Boheems parlement, in oktober 1905 demonstratieve massastaking in Lemberg (Lvov) voor algemeen gelijk stemrecht voor het Galicisch parlement, in november 1905 demonstratieve massastaking in heel Oostenrijk voor algemeen gelijk stemrecht voor de Rijksraad, 1905 massastaking van de landsarbeiders in Italië, 1905 massastaking van het spoorwegpersoneel in Italië...” (12).

De massastaking bereidt voor op de politieke confrontatie met de staat, en stelt zo het vraagstuk van de revolutie aan de orde van de dag. Ze drukt niet alleen de ‘revolutionaire energie’ en het ‘proletarisch instinct’ van de arbeidersmassa’s uit, zoals Gorter benadrukte na de staking van 1903 (13), maar ze betekent ook een diepgaande wijziging in de situatie aan het begin van de eeuw: “Wij hebben alle reden om te denken dat we nu begonnen zijn aan een periode van strijd die de instellingen en de macht van de staat als inzet hebben; gevechten die afhankelijk van allerlei wederwarigheden decennia kunnen duren, waarvan de vormen en de duur voor het ogenblik nog niet overzien kunnen worden, maar die, hoogstwaarschijnlijk, op korte termijn fundamentele veranderingen teweeg zullen brengen in de krachtsverhoudingen ten gunste van het proletariaat, zo al niet het vestigen van zijn macht in West Europa.”

Deze opmerkingen van Kautsky in zijn boek ‘De weg naar de macht’ zullen door de Hollandse Linkerzijde tot de hare worden gemaakt, tegen Kautsky en tegen zijn medestanders in Nederland zoals Troelstra en Vliegen. De staking van 1903 stelde inderdaad het alternatief ‘hervorming of revolutie’ en mondde binnen de SDAP onvermijdelijk uit op een confrontatie met de reformisten die niet alleen de revolutionaire geest van de partij verraadden, maar ook de onmiddellijke strijd.

(1) Het was niet ongebruikelijk dat de arbeiders zes dagen per week veertien uur per dag werkten. Over de onmenselijke omstandigheden van de transportarbeiders en de ontwikkeling van de Nederlandse arbeidersbeweging, zie: De Spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland, A.J.C. Rüter, Leiden, 1935; herdruk SUN-reprints, Nijmegen.

(2) De beroepsbonden, een erfenis uit de ambachtelijke periode van de arbeidersbeweging, werden geleidelijk vervangen door industriebonden. Deze verenigden alle arbeiders per industrietak, ongeacht het beroep dat ze uitoefenden. De ontwikkeling van de massastaking aan het begin van de twintigste eeuw zou evenwel aantonen dat - in open strijd tegen het kapitaal - de organisatie via industrietakken al was voorbijgestreefd door de massaorganisatie van arbeiders van alle takken. De idee van een ‘grote vakbond’, zoals gepropageerd door de Amerikaanse IWW zou al snel ontoereikend blijken, doordat ze zich enkel richtte op de economische strijd per tak, terwijl de massastaking ertoe neigde politiek ter worden door de botsing van een hele klasse, en niet van enkele delen ervan, met de staat.

(3) Zie Albert De Jong, De Spoorstaking van 1903, Den Haag, 1953. Een libertaire visie op de spoorstaking.

(4) Zie Rüter, op. cit. p. 260-263. Pannekoek vertelt over de staking op zeer levendige wijze vanuit marxistische en niet vanuit universitair standpunt in zijn Herinneringen, eerder geciteerd p. 86-93. Hij toont heel goed het spontaan opduiken van het stakingscomité en de snelle uitbreiding van de beweging aan.

(5) Zie De Jong, op. cit. p. 17-19.

(6) De anarcho-syndicalisten hadden een veel vastbeslotener houding in de staking; maar ze bleven gevangen in hun theorie van de algemene staking. In de praktijk hadden de anarcho-syndicalisten van het NAS die deel uitmaakten van de Comité van Verweer een weifelende houding en waren ze ‘rechtser’ dan de basis.

(7) Wat nu? in dagblad Het Volk van 17 maart 1903.

(8) Antwoord van Pannekoek aan Troelstra, in Het Volk van 26 maart. Zonder het woord verraad te gebruiken klaagde Pannekoek de “misdaad tegen de eenheid” aan, “de schade aan de arbeidersbeweging berokkend” en de “schande voor de partij”.

(9) Deze vreugde van de strijd noemde Henriëtte Roland Holst kenmerkend voor de massastaking: “Meer dan de organisatie, de strijdvaardigheid, was het in het begin van de twintigste eeuw een plezier te strijden met de arbeiders van Nederland”, wat zich vertaald in “spontaan verzet op grotere en kleinere schaal” (Kapitaal en arbeid, op. cit.).

(10) Het voortbestaan van het anarchisme en de ontwikkeling van het revolutionair syndicalisme was de prijs die betaald werd voor het opportunisme in de socialistische arbeidersbeweging. Toch zouden vele revolutionaire syndicalisten zich in Nederland, net als in bijvoorbeeld Frankrijk en Spanje, zich na 1920 aan de kant scharen van de Kommunistische Partij.

(11) Rosa Luxemburg, Theorie en praktijk, in Die Neue Zeit, 1910, overgedrukt in: Die Massenstreikdebatte, Frankfurt, 1970, met een inleiding van Antonia Grunenberg, en in Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 2, p. 378-420.

(12) Ibid., Gesammelte Werke, p. 404.

(13) Tussenkomst van Gorter op het Negende Congres van de SDAP in 1903, Protocol van het Congres, p. 17 en 19, aangehaald door Rüter, op. cit. p. 572.

(14) Uittreksels van Kautsky, aangehaald door Rosa Luxemburg in haar artikel Theorie en praktijk. De standpunten van Kautsky ten gunste van de revolutie worden door Rosa polemisch te berde gebracht. De weg naar de macht, geschreven in 1909, is de zwanenzang van de ‘paus van het marxisme’.

Territoriale situatie: